Op de bon voor ongehuwde seks

Manon van der Heijden: Huwelijk in Holland. Stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht 1550-1700. Bert Bakker, 361 blz. ƒ 49,90

Seks in de definitie van Clinton, dus geslachtsgemeenschap, was in de zeventiende eeuw wettelijk verboden. Tenzij men was gehuwd, was het bedrijven van seks dus niet slechts afkeurenswaardig, maar een strafbaar feit. Men kon ervoor worden beboet, verbannen en in ernstige gevallen zelfs in het openbaar gegeseld. Desondanks vond die illegale activiteit op grote schaal plaats, zo blijkt uit Huwelijk in Holland, het proefschrift waarop de historica Manon van der Heijden onlangs promoveerde.

Helaas komen we uit haar boek niet te weten waarom zoveel mensen zich niet lieten weerhouden. Ze heeft zich geconcentreerd op de manier waarop de overheid en de gereformeerde kerk probeerden buitenechtelijke seks en misstanden binnen het huwelijk te bestrijden. Dat is begrijpelijk, want het beleid van rechters en predikanten is het onderwerp waarover rechtstreeks informatie valt te verkrijgen uit de bronnen die ze heeft gebruikt, de dossiers van de rechtbanken en kerkenraden in Delft en Rotterdam.

Maar het is ook jammer, want voor de geschiedenis van huwelijk en seksualiteit zijn niet de rechters en predikanten, maar in de eerste plaats de overtreders interessant: de mannen die vrouwen in bed lokten met mooie beloften, de meisjes die zich lieten 'beslapen', de gehuwden die overspel pleegden, de ongehuwd samenwonenden, de gewelddadige echtgenoten, de bemoeizuchtige schoonmoeders, de verkwisters, de dronkenlappen, aanranders, incestplegers en bigamisten. Ze passeren allemaal de revue, maar we leren hen nimmer kennen.

Nu is dat ook moeilijk. Beklaagden wisten doorgaans heel goed welke argumenten ze moesten aanvoeren om een kans te maken om onder de consequenties van hun gedrag uit te komen. Meisjes deden bijvoorbeeld of ze onwetend en onervaren waren, of ze beweerden dat ze pas tot vrijen waren overgegaan nadat ze een trouwbelofte hadden ontvangen. Overtreders vertelden dus het verhaal dat degenen die hen beoordeelden wilden horen, en hun verweer is in de bronnen bovendien weergegeven in de woorden van de rechters en predikanten. De bronnen dienen dus met de nodige argwaan te worden gelezen.

Gerechtelijke dossiers behandelen per definitie uitzonderlijke gevallen: overtreders die tegen de lamp liepen. Maar ze informeren ons, rechtstreeks en impliciet, over de maatschappelijke normen. Van der Heijden concentreert zich op de expliciete informatie: welke overtredingen worden bestraft, in welke omstandigheden en hoe zwaar. Ze besteedt minder systematisch aandacht aan de impliciete informatie. Toch zegt bijvoorbeeld de manier waarop zaken aan het licht kwamen veel over de context van het zeventiende-eeuwse huwelijksleven.

Wat in de dossiers terechtkwam was uiteraard maar een fractie van wat zich afspeelde. De daders zorgden er natuurlijk voor dat hun overtredingen zoveel mogelijk verborgen bleven. Dat er desondanks het nodige aan het licht kwam, was behalve aan zwangerschap vooral te wijten aan klachten. Overtreders werden aangegeven door dienstboden, door herbergiers en met name door buurtbewoners die meenden dat de goede naam van hun wijk in diskrediet werd gebracht.

Verklikken werd aangemoedigd door de overheid: als de overtreders werden beboet, kregen de aanbrengers een deel van de boete. De schout werd op dezelfde wijze aangespoord zijn best te doen. Ook hij kreeg een deel. Maar hij kon in het algemeen weinig uitrichten zonder hulp van verklikkers. Dankzij tips konden nu en dan zondaars op heterdaad worden betrapt. In de meeste andere gevallen was de bewijsvoering lastig, en dan waren de verklaringen van verwanten en buren belangrijk. Soms werden vedachten in feite alleen op grond van suspect gedrag uit hun stad verbannen.

De sociale controle was soms hevig, met alle gevolgen van dien. Iemands naam kon worden aangetast door roddel en valse beschuldigingen en vooral door iemand in het openbaar te schande te maken, zoals de vrouw die in 1625 de echtelijke woning verliet en werd nagelopen door de kinderen uit de straat, die, aldus het rechtbankverslag, haar 'seer schandelijck naageroepen hebben: hoer, hoer'.

De openbaarheid was cruciaal: iedereen moest maar zien hoe hij met zijn geweten in het reine bleef, maar het was niet de bedoeling dat huiselijke twisten of illegale seks ruchtbaar werden. De kerkenraad riep wel echtparen op het matje die binnen zeven maanden na het huwelijk een kind kregen, maar was in een ander geval van mening dat een overtreder wel tot het avondmaal kon worden toegelaten, omdat het vergrijp 'niet dan 2 of 3 bueren bekent' was. De vrees voor schande was voor overheid en kerk een belangrijk wapen, want een goede naam was in de vroegmoderne periode een groot goed. Bij gebrek aan institutionele zekerheden was iedereen in hoge mate aangewezen op andere personen, en om zich in de samenleving te kunnen handhaven was een goede reputatie onontbeerlijk. Iedereen was er daarom op uit om zijn reputatie zoveel mogelijk te beschermen.

Het in het openbaar aan de schandpaal nagelen van zondaars was de voornaamste sanctie die de kerk tot zijn beschikking had. De macht van de kerk was beperkt:de kerkenraad had uitsluitend zeggenschap over lidmaten van de gereformeerde gemeente en kon hoogstens overgaan tot excommunicatie. Maar de kerkelijke tucht werd vooral uitgeoefend door lidmaten te weren van de avondmaalsviering en door hun zonden in de kerk bekend te maken.

De overheid had in de eerste plaats wetten tot haar beschikking. Van der Heijden maakt duidelijk dat de stedelijke overheid vooral was begaan met de openbare orde en beperking van de uitgaven, en de vonnissen van de rechtbanken waren er op gericht vooral die overtredingen te bestraffen die daarvoor een bedreiging vormden. De overheid wilde liever niet opdraaien voor het onderhoud van in de steek gelaten gezinnen en onwettige kinderen, en stelde daarom verplicht dat huwelijken in het openbaar werden gesloten en zorgvuldig geregistreerd. Vrouwen werden verplicht voor de geboorte van hun kind aan de vroedvrouw de naam van de vader op te geven. Het gezin vormde de eenheid waarop de structuur van de samenleving was gebouwd.

Om de stabiliteit van die structuur te waarborgen moesten huwelijken onverbrekelijk zijn en moest buitenechtelijke seks zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarom was echtscheiding alleen in zeer bijzondere gevallen mogelijk en werd seks buiten het huwelijk vervolgd. De veroordeling geschiedde wel in morele termen, maar de straffen waren doorgaans meer praktisch dan exemplarisch. Overtreders kregen een boete en werden voorts voor jaren uit de stad of provincie verbannen. Vaak was het mogelijk de straf af te kopen. Ter afschrikking werd in ernstige gevallen (het verleiden van onschuldige jonge meisjes bijvoorbeeld) gezorgd voor openbare schande: de veroordeelden werden op het schavot gegeseld, omhangen met symbolen van oneer of met roeden de stad uitgejaagd.

Het is duidelijk dat sociale controle en de vrees voor schande de middelen waren die werden benut om het huwelijks- of seksleven in overzichtelijke banen te leiden, maar hoe dat leven er nu eigenlijk uitzag blijft onbekend. Huwelijk in Holland zegt meer over strafrecht en tucht dan over het huwelijk. De auteur houdt het bij een analyse van de standpunten van rechters en predikanten, met de bijbehorende historische achtergronden. Haar studie kan zonder meer dienen als handboek voor de geschiedenis van recht en tucht rond het huwelijk, maar het blijft wachten op een boek over de 'menselijke' kanten van het huwelijk.