Nederland moet prioriteiten stellen in de Veiligheidsraad

Als kersvers lid van de VN-Veiligheidsraad moet Nederland zich niet met àlles willen bezighouden, meent Nico Schrijver. Ook zou het nuttig zijn als Nederland, temidden van alle crisissituaties en incidenten, oog heeft voor een verbetering van de werkmethoden van de Raad.

Nederland is voor de vijfde maal sinds 1945 tot lid van de VN-Veiligheidsraad gekozen. Het is een grote eer voor een relatief klein land om opnieuw een zo vooruitgeschoven positie in de internationale politiek te kunnen innemen. Zo'n frequente herverkiezing is eigenlijk vrijwel uitsluitend voorbehouden aan middelgrote landen zoals Japan, Egypte, India, Pakistan, Argentinië en Brazilië. Maar wie kennis neemt van de campagnerede van minister van Aartsen op de Algemene Vergadering op 24 september en van het plastic 'campagnekaartje-op-zakformaat' van minister Herfkens moet wel tot de conclusie komen dat Nederland - evenals in de dagen waarin minister Van Kleffens voor ons land een semi-permanente zetel in de Veiligheidsraad opeiste - in feite nog steeds een middelgroot land is.

Nederland is vooral verkozen vanwege zijn gewaardeerde bijdrage aan de internationale vrede en veiligheid en aan andere VN-doelstellingen, één van de twee criteria voor het lidmaatschap van de Veiligheidsraad. Bezien vanuit het andere criterium, 'een billijke geografische spreiding', was het echter hoffelijker geweest om de beurt aan de Grieken te geven.

Volgens Van Aartsen zal het devies van Nederland in de Veiligheidsraad zijn om “gedreven door idealisme, maar geleid door realisme” het primaat van het internationale recht te vestigen, en bruggen te bouwen. Dat verschilt nauwelijks van het voornemen van minister Van den Broek bij de aanvang van het lidmaatschap van de Veiligheidsraad in 1983 om een slagvaardige, maar redelijke en nuchtere inzet te tonen en te streven naar versterking van de internationale rechtsorde.

De huidige positie van Nederland als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad verschilt fundamenteel van dat in de perioden 1946, 1951-52, 1965-66 en 1983-84. Allereerst is de rol van 'bruggenbouwer' tussen Oost en West sinds het eind van de Koude Oorlog veel minder aan de orde. Ook zijn de marges voor een niet-permanent lid smal. Nu komen de 'Permanente Vijf' regelmatig als groep bijeen, al botert het thans overduidelijk (door de Kosovo-crisis) minder goed tussen hen dan aan het begin van de jaren '90. In de tweede plaats is die positie veranderd door de ambitie om het gemeenschappelijk buitenlands -en veiligheidsbeleid van de Europese Unie beter te laten functioneren, al komt daar in de praktijk nog maar bitter weinig van terecht.

Het is dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zo krampachtig vasthouden aan hun permanente zetel en hun eigen beleid in de Raad, anders zou een niet-permanente zetel voor nog eens een ander EU-land - nu de vijftien leden in de Algemene Vergadering en elders zo vaak met één stem proberen te spreken - eigenlijk een anachronisme moeten zijn. Nederland zou evenwel van de nood een deugd kunnen maken door te proberen, in navolging van wat België deed in 1991-92, EU-consultaties over belangrijke onderwerpen op de agenda van de VN-Veiligheidsraad te bewerkstelligen.

Van Aartsen zei op de Algemene Vergadering: “Ons doel is om alle kwesties die de Veiligheidsraad voor zich heeft op te pakken.” De vraag is of dat wel zo verstandig is. Er staan tientallen onderwerpen op de agenda van de Veiligheidsraad en zelfs Nederland kan zich niet met alles bezighouden. Wenselijk is een doordachte prioriteitsstelling vooraf. Het ligt voor de hand dat Nederland zich in de Veiligheidsraad met name richt op die kwesties waarmee het al enigszins vertrouwd is en waaraan het wellicht een zinvolle bijdrage kan leveren, zoals het Midden-Oosten, voormalig Joegoslavië en het Grote Merengebied in Afrika. Daarnaast zou het nuttig zijn als Nederland oog heeft voor een verbetering van de werkmethoden van de Veiligheidsraad.

Nu in het VN-systeem zoveel wordt gesproken over good governance, dringt zich de vraag op of de daaruit voortvloeiende inhoudelijke en procedurele vereisten voor behoorlijk bestuur niet tevens gelden voor het functioneren van de Veiligheidsraad. Daartoe kan men een correct gebruik van bevoegdheden rekenen, alsook een behoorlijke documentatie, transparante besluitvorming, openheid en het beginsel van hoor en wederhoor. Tevens is de kwestie van respect voor de competentie van andere VN-organen een gevoelige zaak geworden, met name die van de Algemene Vergadering en de secretaris-generaal. Verder heeft Nederland vaak de wens geuit voor een betere en meer geïnstitutionaliseerde consultatie van troepenleverende landen. Al enkele jaren prijken dergelijke onderwerpen op formele en informele VN-agenda's. Er zit echter weinig schot in.

Ieder land beseft dat vanuit het oogpunt van representativiteit, legitimiteit en effectiviteit vroeg of laat de samenstelling van de Veiligheidsraad moet veranderen, en dat het vetorecht in zijn huidige vorm een anachronistisch en ondemocratisch instrument is. Maar de discussie daarover zit muurvast.

Juist vanwege Nederlands grote ervaring in ontwikkelingslanden, zou ons land op gepaste momenten in de Veiligheidsraad een meer samenhangend beleid kunnen bepleiten. Nu wordt het internationale beleid inzake mensenrechten, vrede en veiligheid, wapenbeheersing, humanitaire hulp en ontwikkeling maar al te vaak ongecoördineerd bedreven, omdat daar nu eenmaal verschillende instituties voor bestaan. Eén en ander is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Tevens geldt voor de Veiligheidsraad de zegswijze 'schoenmaker blijf bij je leest.' Toch constateerde de Veiligheidsraad in 1992 terecht dat de “niet-militaire bronnen van instabiliteit op economisch, sociaal, humanitair en ecologisch terrein bedreigingen van vrede en veiligheid zijn geworden.” Ontwikkelingssamenwerking en mensenrechtenbeleid kunnen een belangrijke preventieve en heilzame functie bij handhaving en herstel van vrede en veiligheid vervullen. Hier zou Nederland inhoudelijke bruggen moeten zien te slaan. De lessen van Dutchbat bij de val van Srebrenica - een voor Nederland donkere periode waarover tijdens de campagne voor de Veiligheidsraadszetel wijselijk is gezwegen - zijn dat een einde aan de aanwezigheid in een crisisgebied geen einde betekent aan de betrokkenheid bij die crisis.

Nederland zou zich in de Veiligheidsraad ook moeten inzetten voor een verbetering van de betrekkingen tussen de VN en de (inter-)regionale organisaties, zoals de NAVO en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Na de bittere ervaringen in Somalië en Bosnië-Herzegovina, waar bleek dat de Verenigde Naties moeilijk twee petten tegelijk kunnen dragen (blauw- en groenhelmen), worden dergelijke organisaties en ad hoc-coalities van de able and willing steeds belangrijker als onderaannemers. Tevens is het belangrijk om naar een partnerschap en een rationele en kosteneffectieve arbeidsverdeling te streven, onder erkenning van het feit dat de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid in de eerste plaats bij de Veiligheidsraad berust.

Het lidmaatschap van de Veiligheidsraad is een mooie opsteker voor de kersverse ministers Van Aartsen en Herfkens. Maar de felicitaties moeten vooral toekomen aan de staf van het ministerie en aan onze VN-ambassadeur Ramaker, die zich een jaar lang het vuur uit de sloffen heeft gelopen voor de Nederlandse kandidatuur. Eerder loodste Ramaker bekwaam het Algeheel Kernstopverdrag langs vele klippen. Den Haag zou zich dus wel tweemaal moeten bedenken om in New York op de Nederlandse zetel een (oud-)politicus te parachuteren.