Mij interesseert het leven op zijn best; Jean-Philippe Toussaint over schrijven en de totalitaire tv

“Ik ben gestopt met televisie kijken toen ik ook net was gestopt met roken. Ik voelde een misselijkheid die door het zappen alleen maar erger werd.” Schrijver Jean-Philippe Toussaint over de overeenkomst tussen hemzelf en de hoofdpersoon in zijn vijfde roman 'De televisie'.

Jean-Philippe Toussaint: De televisie. Vert. Marianne Kaas. Van Gennep, 174 blz, prijs ƒ 34,90. Verder zijn in vertaling verkrijgbaar: De badkamer, Meneer, Het fototoestel en De aarzeling.

De in Brussel geboren, in het Frans schrijvende Jean-Philippe Toussaint (41) geldt in Japan als een bestseller-auteur. De Japanse vertalingen van de vijf romans die hij tot nu toe schreef bereikten astronomische oplagen en bij zijn bezoeken aan Japan wordt Toussaint op straat voortdurend door fans aangeklampt. In zijn woonplaats Brussel echter kan de schrijver en cineast rustig boodschappen doen, net als in Parijs, waar hij zich afzijdig houdt van het literaire circuit.

Twaalf jaar geleden bracht een verlegen, hypernerveuze, slecht uit zijn woorden komende Toussaint zijn eerste buitenlandse auteursbezoek aan het Maison Descartes in Amsterdam, ter gelegenheid van de vertaling van zijn debuutroman De badkamer. Vier romans later blijkt de schrijver te zijn veranderd in een bereisde, ogenschijnlijk zelfverzekerde, zo goed als kale spraakwaterval. Alleen zijn jongensachtige oogopslag is nog net zo ontwijkend.

“Ik ben niet zo direct”, zegt Toussaint, “en dat is typisch oriëntaals. Mijn boeken zijn niet direct confronterend, niet bruusk. Ze becommentariëren de wereld en laten zich tegelijkertijd een beetje meedobberen. In het westen vindt men mijn hoofdpersoon vaak een zacht ei. Men ziet zijn spitsvondigheid niet, verwijt hem gebrek aan identiteit en aan smaak. In Japan is die teruggetrokken man die geen nee kan zeggen, die nooit ad rem reageert en die zijn doel via een omweg bereikt blijkbaar een heel herkenbaar type.”

De personages van Toussaint zijn verwant aan die van andere auteurs die hun werk publiceren bij de Franse uitgeverij Minuit. Ze zijn voortdurend onderweg, maken een onbeholpen, chaotische indruk en vinden vaak in de eenzaamheid van hun gedachten een vorm van geluk. Hun emoties verbergen ze achter een dikke laag onzekerheid. In Passer en douce à la douane (Rodopi, 1997) geeft Fieke Schoots een heldere analyse van het werk van de zogenaamde nouveaux nouveaux romanciers, een verzamelnaam voor auteurs die in de jaren tachtig bij uitgeverij Minuit debuteerden, onder wie Jean-Philippe Toussaint, Jean Echenoz, Marie Redonnet en Patrick Deville. De benaming is een knipoog naar de auteurs van de nouveau roman uit de jaren zestig, die veel stof deden opwaaien door alle regels van de roman overboord te gooien en iedere vorm van handeling, plaats of tijd achterwege te laten. Ook het werk van de nieuwe generatie Minuit-auteurs is spaarzaam en sober in alle opzichten.

Veeleisend

“De term minimalistisch stoort me niet”, aldus Toussaint, “het oneindig kleine ligt tenslotte vlak naast het oneindig grote. Ik wil geen verhaal vertellen, psychologie interesseert me niet. Mij gaat het om de momenten dat de tijd stil staat en daarvoor heb ik weinig middelen nodig. Alle schrijvers van Minuit zijn veeleisend als het gaat om de vorm van de roman. Wij hebben allemaal de ambitie de schrijfkunst te vernieuwen. Ik wil schrijven zoals een schilder schildert, zoals een musicus musiceert. Kleuren of muzieknoten hebben op zich geen betekenis, maar de woorden waarmee de schrijver werkt wel. Lezers worden vaak zodanig door de betekenis verblind dat ze voorbijgaan aan de vorm of de opbouw van het boek. Ik kies vaak woorden om hun klank. Zonder nu abstracte literatuur te willen schrijven, gum ik toch graag de betekenis van woorden een beetje uit.” Vandaar bijvoorbeeld de quasi-wiskundige opbouw van De badkamer, waarbij de als motto opgevoerde stelling van Pythagoras leek te verwijzen naar het aantal genummerde paragrafen van de drie hoofdstukken. Bij nader inzien bleek de auteur de lezer zand in de ogen te hebben gestrooid - een afleidingsmanoeuvre om zijn aandacht te vestigen op de vorm van het boek.

In zijn meest recente roman, De televisie, heeft Toussaint maling aan wat voor theorie dan ook. Het boek lijkt, in een goede bui op een zonnige middag, moeiteloos uit de pen gevloeid. Het is sprankelend, vrolijk, komisch en soms op het burleske af. Voor het eerst ook schreef Toussaint een roman van bijna driehonderd pagina's. Hij begint als volgt: “Ik ben gestopt met televisie kijken. Van de ene op de andere minuut ben ik ermee opgehouden, voorgoed, niet één uitzending meer, zelfs geen sport.”

“Het is mijn eigen ervaring”, vertelt Toussaint, “Ik ben gestopt met televisie kijken toen ik ook net was gestopt met roken. Ik voelde een soort walging, een misselijkheid die door het zappen alleen maar erger werd. Het was of ik een kater had en ik was in een vreselijk humeur. Het afkicken van die twee verslavingen wilde ik literair gezien op hetzelfde niveau plaatsen. Ik vind de televisie fascinerend en afstotend tegelijk. In mijn boek zeg ik veel negatiefs over de televisie, over de tijd die je ermee verspilt en over het totalitaire effect dat ervan uitgaat, maar ik breek hem niet echt tot de grond af. Ik ben best bereid tot schipperen. Ik begrijp die menselijke zwakheid die luiheid heet en die maakt dat je je laat meeslepen. Dat belet mij niet de draak te steken met mensen die zeggen dat ze nooit kijken en die, als blijkt dat ze liegen, van alles aanvoeren om zich te rechtvaardigen. Ik ben romanschrijver. Dat de verteller in de eerste regels van het boek de televisie afzweert, maar aan het eind juist nog een extra toestel aanschaft, maakt mijn reflectie niet minder serieus.”

Toussaint maakte na het voltooien van zijn anti-televisie roman een film voor de Duitse televisie: Berlin 10h46, een portret van Berlijn, waar Toussaint enkele jaren woonde. Hij werkte al eerder mee aan de verfilming van zijn eerste twee romans en regisseerde zelf een derde film, Le patinoire, waarvoor hij ook het scenario schreef. “Ik ben schrijver en cineast, maar niet tegelijkertijd. Als je schrijft plaats je jezelf buiten de werkelijkheid. Als je een film regisseert, sta je middenin het echte leven, maar ook dan ben je van de alledaagse realiteit afgesneden. Je zit in een heerlijk warme cocon. Als ik daar na een dag filmen uitstap, ben ik altijd verbaasd dat de mensen in de metro niet meer zo aardig naar me glimlachen.”

De verteller uit De televisie is ook zo'n personage dat zich met een creatief doel uit het dagelijks leven heeft teruggetrokken. Een kunsthistoricus brengt, zonder vrouw en kind, een zomer door in Berlijn om er onderzoek te doen naar een anekdote uit het leven van de schilder Titiaan. Bij een bezoek aan diens atelier zou keizer Karel de Vijfde een gevallen penseel hebben opgeraapt voor de grote schilder - metafoor voor de superioriteit van de kunst boven de politiek. Het werk wil echter niet vlotten en behalve tennis kijken op televisie, doet de verteller alleen 'het noodzakelijke: denken, lezen, naar muziek luisteren, vrijen, een eindje lopen, naar het zwembad gaan, paddestoelen plukken.' Het zijn de voornaamste bezigheden van al Toussaint's personages, die overigens steeds de leeftijd van de auteur zelf hebben. Harmonie

“Blaise Pascal zei al dat de mens verstrooiing zoekt zodat hij niet steeds geconfronteerd wordt met zijn sterfelijkheid”, aldus Toussaint, “Daarom staan de mensen om zes uur op en beginnen ze, met mobiele telefoon en al, aan een werkdag met vijfentwintig afspraken. Ik heb een wat artistiekere kijk op het leven. Mij boeit de luxe-kant van het bestaan, het leven op zijn best. Het sociale aspect interesseert mij niet. Pascal betoogt ook dat alle ellende van de mensen maar één oorzaak heeft, namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven. Dat is ook mijn visie. Voor mij is de mens een minuscuul wezen in het universum, dat moet proberen in harmonie te leven met de natuur, met zijn lichaam, met zijn geest, zonder daarbij het besef van zijn dood te verdringen. Mijn werk, het schrijven, is dan ook geen verstrooiing maar een levenshouding.”

Even breekt felle westerse irritatie door Toussaint's Japanse indirectheid, als hij spreekt over het clichébeeld van de schrijver als de whisky drinkende, rokende, papier verfrommelende stumper uit slechte misdaadlectuur. “Ik heb maar één film gezien waarin een werkelijk mooi beeld wordt gegeven van het creatieve proces. Dat was Van Gogh van Maurice Pialat, met Jacques Dutronc als Van Gogh. Hij loopt op straat, drinkt een glaasje wijn, maar schildert nooit. Ook de schrijver is iemand die voor de helft van de tijd aan het wandelen is, naar het zwembad gaat, de krant koopt en in een café een kopje koffie drinkt. Op zo'n moment wil ik niet gestoord worden. Die uren zijn net zo essentieel als de tijd die ik achter mijn computer doorbreng. Het enig juiste beeld van een scheppend kunstenaar is dat van iemand die niets uitvoert.”