Marktwerking ook in universiteit

In een tijd van deregulering en liberalisering, waarin zelfs de staatsspoorweg-maatschappij verlangt naar de tucht van de markt, komt uitgerekend de liberale Teldersstichting met een pleidooi tegen marktwerking binnen de universiteit (NRC Handelsblad, 23 september). Het stuk lijkt te zijn geschreven vanuit de veronderstelling dat waarlijk academische waarden en een efficiënt gebruik van tijd en middelen elkaar uitsluiten. Naar mijn mening is het beledigend om te denken dat iemand die in staat is tot grote wetenschappelijke werken, juist om deze reden niet in staat mag worden geacht zelf toe te zien op wetenschappelijke productie, management en fondsenwerving.

Tijdens mijn verblijf op een Nederlandse en een Amerikaanse universiteit viel het mij op dat de onderzoeksgroepen die in de internationale wetenschap het meest in aanzien stonden, op alle fronten wonnen. Deze groepen hadden de beste wetenschappers en docenten, publiceerden veelvuldig in de meest gerennommeerde tijdschriften en beschikten over de meeste financiële middelen. Tevens konden zij kiezen uit de beste studenten voor afstudeer- en promotieplaatsen, voor wie werkgevers vervolgens in de rij stonden. Was dit zo dankzij het ontbreken of ondanks het ontbreken van vrije-marktwerking op de universiteit? Ik meen het laatste.

Voor een zelfstandige en creatieve academische geest lijken eigen verantwoordelijkheid en objectieve prestatiecriteria mij duizendmaal meer stimulerend dan de aanwezigheid van een betuttelende overheid, die invloed uitoefent met budgetten, procedures en quota. Minder intuïtief is de vaststelling, dat instituten als de University of Chicago, Stanford en Harvard geheel niet lijden onder de gesel van de markt. Het aantal Nobelprijswinnaars verbonden aan deze instellingen is indrukwekkend, het onderwijs staat op een eenzaam peil en de afgestudeerden kunnen uitkijken naar een goede baan.

Als marktwerking op de academie dan blijkbaar geen onwenselijke gevolgen hoeft te hebben, wat zijn dan de voordelen? Groenveld en Van Schie geven het in hun artikel zelf al aan met hun voorbeeld van de ondermaatse wetenschapper, bij wie objectieve prestatiemeting slechts leidt tot de publicatie van zinloze, halfslachtige artikelen.

Groenveld en Van Schie hebben er geen vertrouwen in, dat de maatschappij in staat is te beoordelen wat maatschappelijk relevant is. Zij pleiten voor plaatsen van “terugblik en bezinning.” Dit lijken mij hoogst onwenselijke oorden. Niet alleen kan niemand aangeven waarom het precies belangrijk is wat daar gebeurt. Sterker nog, daar de bewoners niet hoeven te publiceren, weet zelfs niemand dat er wat gebeurt.

Een bijkomend voordeel van marktwerking is, dat ook de prestaties van de nog steeds op marxistisch-leninistische leest geschoeide ondersteunende afdelingen van de universiteit zullen verbeteren. Ik hoop dat wij er nooit achterkomen hoeveel onderzoeken op kosten van de gemeenschap maanden vertraging hebben opgelopen, doordat universitaire werkplaatsen, magazijnen en bibliotheken niet marktconform functioneren.

Het artikel ademt een diepgeworteld conservatisme en angst tot verlies van het vertrouwde. Ik ben van mening dat de Nederlandse universiteiten hard toe zijn aan vernieuwing, maar ik heb ook groot respect voor de capaciteiten, het verantwoordelijkheidsgevoel en het leiderschap van Nederlandse wetenschappers. Marktwerking is daarom een ontwikkeling die ik met grote gemoedsrust aan hen zou toevertrouwen.