Konrad Lorenz: Das sogenannte Böse, 1963.

Konrad Lorenz: Das sogenannte Böse. Zur Naturgeschichte der Aggression. DTV, 264 blz. ƒ 19,45

In 1973 deelden Niko Tinbergen, Konrad Lorenz en Karl von Frisch samen de Nobelprijs voor medicijnen. Een nieuwe tak van wetenschap, de ethologie of gedragsleer, kreeg daarmee zijn papieren. Dierpsychologen waren niet langer wereldvreemde natuurliefhebbers met een zwak voor meeuwen, ganzen of bijen, en ook niet alleen maar kille laboranten die duiven met stroomstootjes leerden voetballen. De balts van de kraanvogel en de nesteldrift van het stekelbaarsmannetje waren niet de willekeurige eigenaardigheden van de oude naturalisten en ook niet de geconditioneerde reflexen waar de behavioristen ze voor aanzagen. Ze waren de uitkomst van een lange evolutionaire training die de dieren, in het belang van de overleving, 'goede manieren' had geleerd. Volgens de ethologen handelden organismen uit instinct. In hun ogen was de mens ook deelgenoot van die overgeërfde gedragspatronen. Vooral Konrad Lorenz (1903-1989) vond dat de mens met die kennis zijn voordeel moest doen.

Lang vóór de oorlog was Lorenz in zijn Oostenrijkse achtertuin met vergelijkend onderzoek aan ganzen en kauwen begonnen. Zijn instincttheorie had hij al in de jaren dertig in een zestal artikelen geformuleerd, waaronder één in samenwerking met de Tinbergen. Maar het werk op een afgelegen bergwei en in vogeltijdschriften ontging het grote publiek. Dat toonde pas interesse toen Lorenz in 1949 in boekvorm berichtte dat Er redete mit dem Vieh, den Vögeln und den Fischen. Daarin trof de lezer een hoofdstuk aan over 'moraal en bewapening' dat een waarschuwing aan het adres van de mensheid bevatte. Veertien jaar later zette hij die waarschuwing om in Das sogenannte Böse, een natuurlijke historie van de agressie.

De eerste paar hoofdstukken zijn gewijd aan observaties van tropische vissen, rond een koraalbank in Florida en vóór het aquarium thuis. Lorenz constateerde dat de solitaire en exotische maanvissen juist soortgenoten agressief bejegenen. Achter die ongezelligheid zag Lorenz de hand van de 'twee grote ingenieurs' van de evolutie: natuurlijke selectie en mutatie. Het goed dat dit 'zogenaamde kwaad' aanricht is groot: de verspreiding van de soort over de ruimte, reproductie van de meest geschikte exemplaren en verdediging van het gebroed. Agressie is, anders dan brave Hendriken wel denken, de aard van het beestje, en dus moet in voorkomende gevallen die woede afgeleid worden.

Tinbergen had in 1932 tussen nestelende meeuwen al gebaren opgemerkt die hij later 'overspronggedrag' zou noemen. Lorenz maakte dankbaar gebruik van deze waarnemingen van zijn vriend/collega en opperde dat zulk gedrag allerlei rare gewoonten onder dieren en mensen verklaarde. Gepik naar steentjes, huppeltjes en blafjes, gekrab en gekuch, het waren allemaal afleidingsmanoeuvres van gevaarlijke neigingen.

Hem bleek dat zwaargewapende dieren (zoals wolven) onderling uitgebreide verzoeningsrituelen kenden om ongelukken te voorkomen en dat 'doetjes' (als duiven en mensen) het met minder moesten stellen. Als mensen het niet verder hadden gebracht dan jagende apen, was hun agressiviteit geen probleem geweest. Maar hun technologische inventiviteit maakt ze tot een gevaar voor de hele Umwelt,hunzelf incluis.

Menselijke instincten zijn diffuus. Wij herkennen trekjes van onszelf in de 'stampede' van runderen, in de verbeten concurrentie tussen bepaalde reigers en in de gezworen solidariteit van ratten. Wat mensen onderscheidt, lijkt de 'persoonlijke band' die we kunnen aangaan. Helemaal alleen staan we daarin niet: ook de grauwe ganzen beminnen uitverkorenen en haten rivalen naar hartelust. Maar in het hoofdstuk over de persoonlijke band valt het noodlottige oordeel op dat vriendschap en agressie gelijk optrekken, en elkaar met moeite in balans houden.

De moraal, de cultuur in de zin van Sigmund Freud, is het hulpstuk dat onder de mensen de instinctieve verzoeningsrituelen moet vervangen. Zonder die handrem zouden zij aan de barbarij ten prooi vallen. Mét maken ze het niet erger dan 'zachtzinnige koppensnellers', meende Lorenz. De nadruk op de behoudende rol van cultuur ontleende hij aan de Duitse socioloog Arnold Gehlen (1904-1976).

De idee van een mens, die zucht onder het juk van de beschaving, was onder Lorenz' generatiegenoten tamelijk algemeen. Freud was in Unbehagen in der Kultur (1930) minder gerust geweest op de cultuur als ordehandhaver dan Lorenz. Maar de ganzenhoeder vond dan ook dat Freud te zeer onder de indruk van 'das Böse' was. Lorenz geloofde dat Kants categorische imperatief uit dezelfde instinctieve bron stamde als de agressie. De vrijheid van de mensen, zei hij, bestaat eruit dat zij zich de wet stellen.

Het boek eindigt, naar eigen zeggen, met een optimistische noot, hoewel het vertrouwen in de beheersing van agressie van veel mitsen en maren vergezeld gaat. Voor mensen blijft de verleiding groot om als kuddes op hol te slaan, elkaar zoals in broedkolonies weg te pesten of elkaar als rattenclans te verslinden. Mensen dienen zich daarom aan tradities te houden wil de cultuur zijn heilzaam werk kunnen doen. Culturen moeten derhalve niet vermengd worden om hun delicate balans niet te verstoren. Wetenschappen en kunsten, sport en grote werken (zoals de ruimtevaart) moeten opvoeden tot begrip en vriendschap. In die schone taken kan de agressie een gezonde uitlaat vinden. Onder die voorwaarden, en met een steuntje in de rug van de grote ingenieurs van de evolutie, kunnen wij onze naasten leren liefhebben als onszelven.

Sinds 1973 zijn vele observaties toegevoegd aan de gegevens die Tinbergen, Lorenz en Von Frisch over meeuwen, ganzen en bijen verzamelden. Man en macht in de ethologie hebben zich verveelvoudigd, zoals iedereen aan de filmreportages van David Attenborough kan zien. Beesten zijn big bussiness geworden. Gedragskundig onderzoek heeft zich gepopulariseerd in publicaties als Desmond Morris' The Naked Ape (1967) en The Sexual Connection van John Sparks (1977). Maar de eerste waarnemingen van de hoffelijkheden die tussen ganzenkoppels worden uitgewisseld, zijn nog altijd een voorbeeld van wat een scherpe blik vermag. 'Wat wil je, ganzen zijn ook maar mensen', plaagt Lorenz de lezer. In zekere zin is de ethologie ook een eerherstel van de dierfabels van Aesopus en La Fontaine, die de mensen een lachspiegel voorhouden.

Lorenz' sprookjes van moeder de gans hadden niettemin ook minder grappige gevolgen voor de verdeling tussen mens- en natuurwetenschappen. Zijn werk mondde tenslotte uit het reactionnaire Die acht Todsünden der zivilisierten Menschheit (1973).

Voor anderen was hij echter de aanzet tot een veel radicalere uitleg van de beestenboel: de sociobiologie. In 1953 woonde de Amerikaanse 'mierenneuker' E.O. Wilson een college van Lorenz bij in Harvard en voelde zich gesterkt in het vermoeden dat gedrag een genetische grond had. Het zou nog even duren voor hij zijn parabel van mieren en mensen rond had. Maar in 1975 schoof Sociobiology: The New Synthesis het staartje zelfstandige moraal terug in het erfmateriaal, waar het sinds Lorenz losjes aanbungelde. Lorenz had de hand nog uitgestoken naar de sociologie, al was het dan een aartsconservatieve versie. Wilson lijfde sociologie en andere ouderwetse bedrijvigheden als religie en ethiek gewoon in bij de biologie. Vanuit die hoek gezien lijkt de bijdrage van de sociale wetenschappen aan het probleem van menselijke agressie geslonken tot een cursus maatschappelijke etiquette.