Jantje's pruimen

Hoe groot waren de pruimen die Jantje aan de boom zag hangen? Hoe zag de boom eruit? Wat dacht hij en wat deed hij tenslotte? En wat deed Cornelis met de scherven van het glas dat hij vooraan de straat had gebroken? Ik geef de antwoorden meteen.

De pruimen waren zo groot als eieren, de boom was volgeladen, niemand had de pruimen geteld zodat hij de kans op ontdekking bij diefstal op nul schatte, maar bijtijds herinnerde hij zich het achtste gebod. Cornelis heeft de glasscherven, de stukken, schrijft de dichter, verstoken, d.w.z. verborgen. De gedachte aan die daad zal hem levenslang achtervolgen.

Het is kinderboekenweek. Wat een goed idee - bewijs van historisch besef - dat de organisatoren aan onze grote kinderdichter hebben gedacht! Van Alphen heeft geleefd van 1746 tot 1803, was achtereenvolgens advocaat in Utrecht, pensionaris van Leiden, en thesaurier-generaal van de Unie, en voortdurend overtuigd aanhanger van Oranje. Toen in 1795 de Fransen kwamen, nam hij ontslag. In de literatuur van zijn tijd was hij, hoewel orthodox christen, modern: in verzet tegen de rederijkers, verdediger van de filosofie in poëzie en kritiek. Tussen 1778 en 1782 verschenen zijn drie deeltjes Proeve van kleine gedigten voor kinderen, eerst anoniem. Ik vat het samen uit het artikeltje in de Winkler Prins. Dat hij voor kinderen heeft gedicht, lijkt al verrassend. Nog verassender is het dat hij geprobeerd heeft, zich met zijn kleine lezers te identificeren in een tijd dat de opvoeding formeel en autoritair was. De kleine gedichten zijn 'in diverse talen vertaald' - welke staat er niet bij in de WP. Nonchalant vind ik dat.

Het overkomt niet veel schrijvers dat ze meer dan tweehonderd jaar na het anoniem verschijnen van hun werk nog geciteerd worden. 'Aan een boom zo volgeladen, mist men één, twee pruimpjes niet.' En nu dit Van Alphen revival. Jantje en zijn pruimen worden gerapt door de bekende rapper van de Osdorp Posse, Def P. Het gedicht staat op een cd, Van rijm tot rap, samen met nog een gedicht van Van Alphen, De onbedachtzaamheid, en werk van Buddingh', Neeltje Maria Min, Annie M.G. Schmidt en anderen.

De kinderen van nu willen hun poëzie graag in het ritme van de rap. Op de televisie verschenen er twee die een rapsong voor vijfjarigen lieten horen. Zoals met de rap voor ouderen, de 15-plussers, was er niets van te verstaan, maar aan de gezichten van de kleuters zag je dat ze het leuk vonden. Ze hadden hun petje met de klep naar achteren. Voor vaders en moeders, opa's en oma's ontstaat er een probleem: want hoe moet er worden voorgelezen? Op een cartoon van Stefan Verwey zie je een oma op de gang zitten, boek op haar schoot, voor een video-camera, en het kind zit in bed, te kijken naar de voorlezende oma op de video. Dit zou weer een stap verder zijn: eigentijds gekostumeerde rappend voorlezende grootouders, ook via de video op de televisie natuurlijk.

Hoe zullen de kinderen van nu de gerapte teksten van de vrome dichter opvatten? Wat denken ze van het zondebesef, de braafheid, het geweten? Hoe wordt aan dit alles in het kinderbrein een eigen vorm gegeven (zoals alles daar zijn eigen vorm krijgt)? Geen kinderpoezie, maar wel voor het postmoderne kind begrijpelijk dunkt mij Multatuli's Roverslied waarmee Woutertje Pieterse de grote mensen schrik aanjaagt. Grof geredeneerd valt bij Woutertje de historische caesuur, daar begint een ontwikkeling die in de jaren zestig het hoogtepunt bereikt, en dan is Annie Schmidt de dageraad van de depolitisering.

In het algemeen: het lijkt me geen bezwaar, het oude répertoire eens op deze manier moderniseren. Het gebeurt ook met Hamlet en andere klassieken. Er wordt mee bewezen dat vorm en inhoud niet onverbrekelijk verbonden zijn. Jantje en de pruimen, gerapt, brengt de jongste generatie misschien op ideëen waarvan de grote mensen nog zullen opkijken. Aan de andere kant: het heeft ook iets weg van Jezus-rock en reli-pop. Daar ben ik geen liefhebber van, en ik denk dat ik het ook als kind niet geweest zou zijn.

Op onze redactie bespraken we de Kinderboekenweek. 'Je zou ook eens zo'n Kinderboekenweek voor ouderen moeten houden,' zei een van ons. 'Over de boeken die wij toen lazen, de zinnen die we daaruit onthouden hebben. Dat zijn wachtwoorden van een generatie geworden. Je hoeft er maar één te citeren, en als je met een citaat wordt geantwoord, weet je onmiddellijk wie je voor je hebt.' Degene die dit zei is heel wat jonger dan ik, en dus kon ik hem niet met een van zijn generatiecitaten bedienen. 'Maar,' zei ik, 'wat is je antwoord als ik bijvoorbeeld zeg: 'Na zo'n nekslag zeggen ze gewoonlijk niet veel meer?' Hij wist het niet. Intussen had zich nog iemand bij ons gevoegd. Die riep: 'Bos, ik heb je onderschat!' Meteen repliceerde ik: 'Niet voor niets heb ik tien jaar in Marokko gewoond!' Kalm zei hij: 'Doctor X.'

Lang hebben we ons verder verdiept. De citaten vlogen over en weer, uit Sjors van de Rebellenclub, de Jongens van Stavast, Bulletje en Boonestaak, Guust Flater, Robbedoes en vele anderen. Een optocht van onvergankelijke helden trok voorbij. Het was daar Kinderboekenweek, en vrede tussen de generaties.