IJslezen

Een goede voetballer moet tegenwoordig een wedstrijd kunnen 'lezen', dat is: in staat zijn om tijdens het duel te zien hoe de beide elftallen zich tactisch gedragen. De term, van Louis van Gaal, is wat ongelukkig. Want in het ideale geval leest de wedstrijdlezer niet alleen - hij brengt ook, indien noodzakelijk, correcties in het gelezene aan. Voetballers moeten een wedstrijd niet kunnen lezen, ze moeten hem kunnen redigeren.

Anders dan voetballers lezen schaatsers niet, en ze hoeven ook niet te kunnen schrijven of herschrijven. Ze moeten 'in gesprek raken met het ijs', zoals coach Henk Gemser dat altijd noemt. In de eerste rondjes van een vijf of tien kilometer probeert een schaatser contact te leggen met het ijs - en pas wanneer het gesprek een beetje op gang is gekomen, begint de echte hardrijderij. Dat zullen we ons dan wel voor moeten stellen als een flitsend tweegesprek tussen ijzers en ijs. Bij de finish hoeft de schaatser geen boek gelezen of herschreven te hebben - in het ideale geval is hij dan volledig uitgepraat.

Verrassend, deze beeldspraak. Op grond van het materiaal, de ondergrond en de bewegingen zou het voor de hand liggen om juist bij een schaatser aan lezen en (her)schrijven te denken. Het krassen met de ijzers, lijnen trekken over een glad en leeg oppervlak: dat is net schrijven. Gebogen turen naar iets dat voor je ligt, in stilte hangen boven een vlak dat ook nog eens spiegelt of inzicht biedt in stilgelegd, want bevroren leven: dat noemt men ook wel lezen.

Het ware ijslezen en ijsschrijven is vooralsnog voorbehouden aan dichters - vooral Nederlandse natuurlijk; elders wordt het thema weinig aangetroffen. Er valt een aardige bloemlezing te maken van schaatsverslagen in dichtvorm, met als vaak terugkerend motief: de dichter die in het ijs stuit op een dier (uit de aard der zaak meestal een vis), met de ogen nog open, langzaam door de kou van het bevriezende water bevangen geraakt en aldus in doorzichtige materie geconserveerd. Het is een sentimenteel gegeven met mogelijkheden: het leidt gemakkelijk tot gedachten over leven en dood, stilstand en beweging, de sensatie de werkelijheid even in stilgezette vorm te kunnen betrappen. En vanzelf leidt dat dan tot gepeins over de overeenkomsten met het eigen dichterlijke bedrijf.

In de bundel De allesvrezer (1997) van Ingmar Heytze staat een gedicht dat zich keurig naar deze ijsleestraditie voegt, maar dat toch iets overrompelends heeft. Daar zal de aard van het aangetroffen dier misschien iets mee te maken hebben: de dichter stuitte tijdens zijn schaatstocht niet op een vis onder het ijs, maar tot zijn, en onze, verbijstering op een vos. Ook hier duikt meteen de gedachte op dat het beest niet werkelijk dood is, alleen maar even stilgezet. Straks, als het weer warmer wordt en het ijs gaat smelten, zou hij zo weer omhoog kunnen springen: Vos onder ijs Deze winter, bij het schaatsen: vos onder ijs. Twee glazen ogen keken op alsof hij zo omhoog zou springen met open bek als het plotseling zomer werd. Ik vlucht voor honderd boeren. Water breekt. Ik zwem mij langzaam dood. Mijn laatste woorden zijn gedacht ik kan niet meer en spreken gaat niet hier. Het is eenzaam. Aan deze kant. Van het papier. Het is zo eenzaam hier. De schok van het geziene, in de eerste twee strofen, krijgt hier een dichterlijke pendant in de derde strofe, die aanvankelijk voor verwarring zorgt. Daarin is niet de dichter aan het woord, in de eerste persoon enkelvoud, maar de vos, en hij spreekt niet over het heden, maar over het moment waarop hij in paniek het water in rende. Het breken van het water, dat eerst nog leek aan te sluiten bij de gedachte aan het toekomstige smelten van het ijs, heeft in werkelijkheid juist betrekking op het moment waarop de vos zijn toevlucht zocht in het ijskoude, misschien deels al wel bevroren water.

Daarna volgt een tweede verrassing, als blijkt dat hier toch niet alleen de vos aan het woord is, maar ook de dichter zelf. Blijkt dat al niet uit de vierde strofe, dan blijkt het in ieder geval uit de slotregels waarin het woord 'papier' verschijnt, zoals bekend geen typisch vossenattribuut. Daar, vlak voor het einde, spreekt nog net de dichter die het lege, wijkende papier in is gevlucht, en nu wanhopig onder de bladspiegel naar wegen zoekt om uit te breken. Het is een beeld van dichterlijke eenzaamheid en onmacht, dat 'Voor wie dit leest' van Leo Vroman in herinnering roept: 'Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn / en door de letters heen van dit gedicht / kijken in Uw lezende gezicht / en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.'

Het is zo op het eerste, en trouwens ook op het tweede gezicht, een eenvoudig gedicht, dit 'Vos onder ijs', en toch heeft het iets verbijsterends. Simpel van vorm, eenvoudig van taal. Alle wendingen (van kijker naar bekekene, van toeschouwer naar slachtoffer, van anekdote naar po¨etica, van ijslezen naar ijsschrijven) zijn goed te volgen. Alle ingredi¨enten zijn bekend uit de traditie van het ijsleesvers - op die vos na dan, maar in die vos zit het hem niet. Ook als we van die vos een vis zouden maken, en van honderd boeren honderd dobbers met scherpe haken, dan zou het nog een verbluffend gedicht blijven. Het zit hem denk ik in de subtiele verglijding van dichter naar vos en van vos naar dichter die zich tussen de regels voltrekt en die, bij alle helderheid, toch steeds weer verrast. Misschien wel omdat we aan het einde ongemerkt zelf deelgenoot blijken te zijn geworden: van lezers zijn we schaatsers geworden, en we kijken een dichter recht in de glazen ogen, zoals hij ooit een vos recht in de dode ogen keek.