Het verleden als geliefde; Over de historische sensatie en F.B. Hotz

Hoe kan het verleden zo gaan leven dat het meer geluk geeft dan het leven om je heen? Zijn studie geschiedenis bood Hans Goedkoop geen antwoord. Een boekje van F.B. Hotz wel. Alleen daarom al heeft hij de P.C. Hooftprijs verdiend, die hem een dezer dagen uitgereikt zal worden.

'De voetnoot' van F.B. Hotz verscheen in december 1989 als Nieuwjaarsgeschenk voor relaties bij uitgeverij De Arbeiderspers. De handelseditie verscheen in 1990 en is nog leverbaar.

Waarom zou je bezig zijn met het verleden? Toen ik in de jaren tachtig geschiedenis studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, was dat daar geen veelbesproken vraag. Het sprak vanzelf. Het was gewoon een erg mooi onderwerp. Het was de bakermat van alles wat wij zijn, de bron van een debat zonder einde. En de kortste weg naar de sociale dienst natuurlijk, dat ook.

Verder vragen leidde tot veel ongemak. De illusie dat je van het verleden iets zou kunnen leren, werd ons als eerstejaars al snel ontnomen. Want wie van het verleden wilde leren, wilde het toepasbaar maken op het heden. En dan werd de geschiedenis een schema, afgestemd op de problemen van het heden. Dat werd vervalsing, dat werd larie. Daar moesten wij maar gauw van terugkomen.

Meer in trek was daarom de gedachte dat je het verleden juist in zijn 'eigenheid' zou laten zien. Je moest het bestuderen om zichzelf. Men refereerde nog wel eens aan Huizinga's idee van de historische sensatie, een ervaring van rechtstreeks contact met het verleden die je plotseling kan overvallen als je, om maar iets te noemen, naar een oud stilleven kijkt of voor een oud gebouw staat. Maar ook hier paste een waarschuwing. Want zo'n ervaring was wel erg mystiek en ijl, dat was helemaal geen wetenschap.

Waarmee dat hele vak voor mij iets onverklaarbaars kreeg. Het werd beoefend in het heden, maar je mocht er voor het heden niets aan hebben. Je mocht er niet van leren en ook niet echt van genieten. Het kwam me allemaal zo vreemd en hoogstaand voor dat ik mijn mond maar hield over mijn eigen motieven om die studie te beginnen. Want die hadden niets met wetenschap te maken, dat was wel duidelijk. Ik deed het voor mezelf.

In een gotische kerk de staties van de kruisweg langsgaan en beseffen hoeveel mensen je in zoveel honderd jaar zijn voorgegaan. In een vitrine brieven zien van Rosa Luxemburg en weten dat zij dat papier dus aangeraakt heeft, dat zij er zich net zo over gebogen heeft als jij nu. Ik kan me niet anders heugen dan dat ik in de nabijheid van iets uit het verleden word bekropen door een stille opwinding waar Huizinga's historische sensatie nog maar het begin van lijkt. Een soort duizeling, net als bij hem, maar dan overgaand in een gewaarwording alsof de zwaartekracht je loslaat en je door een leegte zweeft, een heldere leegte waarin je doorstraald wordt door - hoe noem je dat? Een totaal geconcentreerde rust.

Wat is dat toch? Men las in die tijd massaal Montaillou van Emmanuel LeRoy Ladurie. Geschiedenis veranderde in amusement, dus de aantrekkingskracht daarvan moest voor velen duidelijk zijn. Iets anders was het die gemoedsaandoening te verklaren. Zelfs Huizinga, die toch niet slecht met woorden was, bleef steken in een eigenaardig hooggestemd gebazel als hij zijn historische sensatie probeerde te omschrijven. Er zit iets in het onderwerp wat je voortdurend het woord onbeschrijflijk in gedachten geeft, een woord dat bijvoorbeeld Kousbroek in de mond bestorven ligt als hij het over vroeger heeft. En zo heb ik mijn bul ten slotte opgehaald met in mijn hoofd hetzelfde raadsel waarmee ik al was begonnen. Hoe kan het verleden zo gaan leven dat het meer geluk geeft dan het leven om je heen?

Mensenschuw

Van de schrijver F.B. Hotz kende ik tijdens mijn studie niet veel meer dan zijn reputatie. Hij was met een zekere mystiek omgeven, zoals elke schrijver die al een heel leven achter de rug heeft voordat hij debuteert. Hij moest zijn opgegroeid in de jaren twintig en dertig, om na allerlei baantjes in de jaren vijftig blazer in een jazzorkest te worden. Naast het blazen was hij ook gaan schrijven - zonder iets te publiceren of zelfs af te maken, maar met koppige volharding. In de jaren zestig had hij zich daar zelfs volledig aan gewijd toen hij, vrijgezel en naar het scheen een tikje mensenschuw, was ingetrokken op een kamer bij zijn zuster in Oegstgeest. Het teruggetrokken leven dat daarmee begon, had hem vervolgens op het spoor gezet van de verhalen die hem, in de jaren zeventig, ten slotte tot een kleine literaire sensatie zouden maken. Verhalen waarin hij, gefictionaliseerd, terugkeek op een leven in de jazz en op een jeugd tussen de oorlogen.

Hotz, zou je kunnen zeggen, had zich uit het leven teruggetrokken om het als verleden tijd weer terug te roepen. Maar dat drong pas tot me door toen ik een paar jaar na mijn studie zelf een teruggetrokken leven kreeg, al even vol verleden. Ik begon aan een biografie van Herman Heijermans en kreeg van de uitgever als aanmoediging een boekje opgestuurd: De voetnoot van F.B. Hotz. Ik las het nog diezelfde avond om niets nuttigers te hoeven doen. Ik kon mijn ogen niet geloven. In zeventien hoofdstukjes lag hier zo'n beetje alles opgetast wat ik aan het verleden voelde, wat ik er mee wilde en wat dat betekende.

De verrassing zat meteen al in het eerste hoofdstuk, een beschouwing over de geschiedenis in amper dertig regels. Spreker is Hotz zelf. Hij hoort zijn kapper zeggen dat het verleden 'dood' is en hij mijmert daarop door, want inderdaad, wat heeft het nog met onze tijd te maken? Of het een 'belofte' inhield voor de toekomst, of het 'elementen' van het heden in zich droeg, dat maakte voor die tijd in het geheel niet uit - en of het waar is, staat nog te bezien. 'Geschiedenis als vak is dubieus: men fantaseert en wil meer redelijkheid en samenhang aan de feiten meegeven dan ze in zich droegen. Men houdt niet van het onbegrijpelijke en keert snel terug naar een even onduidelijk heden.'

Enkelingen

Op het oog leek dat verdacht veel op de scepsis van mijn docenten en het vervolg leek daarmee wel zo'n beetje te voorspellen. Want als onze ordening van het verleden een vervalsing is, aldus de geschiedtheorie, dan zal de onvervalste werkelijkheid van het verleden juist te vinden zijn in wat zich aan zo'n ordening onttrekt. Niet in het overzicht, maar juist in het detail. Niet in de storia van hele tijdperken, maar in de micro-storia van doodgewone enkelingen.

En jawel - Hotz komt met een nauwkeurige omschrijving van die theorie. 'Ik wil ook kunnen houden van het eenmalige, onbetekenende verleden dat alleen nog achterhaalbaar is in de versie van een anonieme ooggetuige', schrijft hij, 'opgetekend in het uur van de gebeurtenis. Liefst zonder 'visie'.'

Maar er staat in die omschrijving één woord dat de overeenstemming met de historici meteen weer onderuit haalt. De onvervalste werkelijkheid van het verleden blijkt voor Hotz geen doel op zich te zijn. Het gaat hem helemaal niet om de wetenschap. Het gaat hem om hemzelf, om zijn motief. Hij wil van het verleden houden.

Dat klinkt als sentiment en nostalgie. Maar zelfs in het eerste hoofdstuk van De voetnoot kan het je al niet ontgaan dat het Hotz menens is. Hij zegt dat hij van een 'morsdood' verleden houdt, hij zegt dat hij daarvan wil houden en hij zegt dat hij zijn leven lang al van de jaren twintig van deze eeuw houdt. Hij zegt drie keer houden van, in dertig regels, en dan voel je wel dat hij iemand is die het niet genoeg kan zeggen. Hij houdt van het verleden als van een geliefde. Ze is dood, morsdood, maar daar stoort zijn verlangen zich niet aan, dat wakkert het juist aan. Hij wil haar terugvinden. Hij wil alles wat hij heeft, zijn wereld en zijn tijd, zijn vrienden en zichzelf, achterlaten om bij haar te kunnen leven in haar dodenrijk.

Als ik bij een boek zou kunnen blozen, had ik bij dit hoofdstukje gebloosd. Om door te dringen in de werkelijkheid van Herman Heijermans, had ik mijn huis en hoofd inmiddels volgestouwd met alles wat maar uit zijn tijd kwam. Als ik door Amsterdam liep, drong zich in het straatbeeld nu en dan een foto op van Nicolaas Witsen. Een verregende Dam met glimmend asfalt werd een doek van Breitner, een verlichte tram bij avond kreeg voorop de schaduw van een span paarden. Alle beelden werden dubbelbeelden, nu en honderd jaar geleden over elkaar heen, en het nu was niet altijd het sterkste.

Maar goed betrapt voelde ik me pas door de zestien hoofdstukjes die volgen. Ze spelen in Hotz' favoriete jaren twintig en vertellen het verhaal van tante Ina, zoals hij haar in zijn kindertijd mocht noemen. Ze was een vriendin van zijn moeder, maar toch vooral een buitenbeentje. Juist als ze naar haar gevoel eenvoudig sprak en enkel zei dat het koud was buiten, keek men haar haast angstig aan. Men vond haar dweperig. 'Ze wilde naar de toneelschool', aldus Hotz, 'en ze sprak langzaam, een beetje als een zieke.'

Met tante Ina loopt het niet goed af. Door tussenkomst van moeder Hotz, die de actrice Annie van Ees kent, krijgt ze 'een beetje toegang' tot de wereld van het toneel, een wereld waar meer dames praten zoals zij. Ze mag in Den Haag een repetitie bijwonen van David en Gretha Lobo, een acteursechtpaar dat ze aanbidt, en het ziet er naar uit dat ze daar inderdaad geweest is. Want het volgende dat Hotz vermeldt is dat er op donderdag 9 september 1926 om 14.48 uur een sneltrein van Den Haag Hollands Spoor naar Amsterdam vertrok die tien minuten later bij De Vink ontspoorde in een duivelsfeest van bielzen, kiezel, staal en stoom. In een van de coupérijtuigen werden David en Gretha Lobo gevonden, beiden stervende, en even later lag ook tante Ina onder aan de spoordijk in het gras. Zij leefde nog.

Wat de mensen in het werk van Hotz ook ondernemen, altijd staat het leven klaar om het kapot te maken. Dat kan door een oorlog zijn, of door de huiselijke oorlog van het huwelijk - zelfs de gewone sleet van de tijd is al genoeg, die krijgt met zijn oneindige geduld zelfs de vitaalste mensen klein. Het leven is verval en tante Ina zal er dus mee moeten leren leven dat ze voortaan in een rolstoel zit. Ze zal nooit op het toneel staan, ze is in haar leven al voltooid voorbije tijd. Zo dood, al haast, als het verleden.

Dat ik me bij dat verhaal betrapt voelde, was niet alleen omdat het inderdaad een magnifieke micro-storia is - in zijn melancholie een voorbeeld voor de micro-storia die ik zelf voor me zag bij Heijermans' leven. Het was ook niet alleen dat Hotz' verhaal het mijne toevallig raakte - als toneelschrijver en directeur van een gezelschap kwam ook Heijermans de Lobo's wel eens tegen, 's avonds na de voorstelling bij Schiller aan het Rembrandtplein. Het was omdat ik tussen de regels plotseling de reden zag waarom ik me met de verhalen van die doden opsloot, in plaats van zelf te leven.

Ongenadig

Tante Ina doet haar best zich tegen haar werkelijkheid te weer te stellen, zoals overigens alle hotziaanse helden. Wetend van de ongenadigheid van het bestaan, proberen zij te overleven door zich overal buiten te houden. Ze doen hun best in de buurt te blijven van hun 'oudste zelf', de kern die er al was voordat de werkelijkheid aan het vernielen sloeg. Ze moeten daartoe een wereld scheppen waar dat oudste zelf zich vrij in kan bewegen, en ze zoeken die wereld in kunst en spel.

Vandaar dat tante Ina dweept met het toneel. Een acteur moet volgens haar niet streven naar natuurlijkheid maar naar gekunsteldheid, want de kunst dient zich te onderscheiden van de werkelijkheid. Een goed acteur is iemand die zijn pijn en strijd weet om te zetten in een schone vorm waarin die pijn en strijd zich als het ware oplossen. Zo ontstijgt hij aan de werkelijkheid en verdwijnt hij min of meer uit het bestaan. Met medeneming van zijn oudste zelf, mag je aannemen.

Door de treinramp wordt die uitweg voor haar afgesneden - zelfs de kunst legt het bij Hotz beschamend af tegen de werkelijkheid. Maar Ina's ambitie om die werkelijkheid af te schudden blijkt niet uitgeput. Ze opent met de Nederlandse Spoorwegen een slepend steekspel over schuldvragen en schadevergoedingen, en klauwt zich daarmee vast aan net dat ene ogenblik waarop haar lot bezegeld werd. Het verleden wordt haar reden van bestaan, haar enige bestaansgrond in het heden, en uiteindelijk gaat ze nog één stap verder. Ze besluit ook van haar laatste aanspraak op het heden af te zien. Ze schrijft de Spoorwegen geen verdere vergoeding te verlangen en verbreekt de banden met de wereld. Ze aanvaardt daarmee de pijn en strijd die het verleden haar heeft opgelegd en dwingt zichzelf daar bovenuit te stijgen - niet meer door de kunst, maar door een bijna kloosterlijk versterven. Waarmee ze ten slotte toch nog uitkomt waar ze altijd wilde wezen. Niet op het toneel, maar in een wereld voor zichzelf. Ze maakt de pijn van het verleden tot een ommuurde veste, ze trekt de brug op.

Dodenrijk

Bij die wending kon de wenk me moeilijk meer ontgaan. Want wat doet Hotz intussen zelf, als schrijver boven het papier? Hij heeft een scherp oog voor de malle kanten van zijn tante, maar hij zorgt wel dat je met haar meeleeft en de analogie begint te zien met de vertellende ik uit het eerste hoofdstukje. Ook die trekt zich uit de wereld terug. Ook die sluit zich met een verleden op.Ook die houdt zich bezig met de pijn die daar is geleden, terwijl hij daar concreet niets bij te winnen heeft. Dus wat ligt meer voor de hand dan dat hij ook in zijn motieven voor die Sitz im Leben op zijn tante lijkt? De aandacht voor een zogeheten 'onbetekenend' verleden verbergt voor Hotz een levensgroot belang. In die aandacht zit een instrument waarmee hij zich de destructieve werkelijkheid van het lijf kan houden. Daarmee wordt zijn verlangen naar het dodenrijk van de voorbije tijden opgestookt, totdat het groter wordt dan alles om hem heen. Het is zijn overleving.

De drijfveer schuilt in de liefde voor het verleden waar ik tot die tijd maar liever langs gekeken had. Al weet je beter, je begint toch altijd met een beeld van kant en klaar geluk en gratis snoep, daarin lijkt alle liefde op elkaar. Maar nu die zweverige impressie voor mijn ogen werd teruggezet op de harde grond van zelfbehoud en inspanning, kon ik er niet meer onderuit. Dat houden van een andere tijd was niet zonder risico. Wie zijn kaarten op het verleden zet, heeft voor zichzelf nog maar één keus. Of hij vindt daar een leven - of hij heeft geen leven. Het is een van tweeën, alles of niets, en dat zette mijn vragen voor het eerst op scherp. Hoe doe je dat? Wat is het in die liefde dat een dood verleden voor je opent en tot leven wekt?

Hotz, zo viel me op toen ik aan Heijermans begon te schrijven en merkte dat het helemaal niet meevalt om een dode leven in te blazen, Hotz houdt zich aan de verifieerbare feiten met de striktheid van een vakhistoricus. Als hij zegt dat die sneltrein van Den Haag Hollands Spoor naar Amsterdam om 14.48 uur vertrok, dan kun je er op rekenen dat hij een dienstregeling in handen heeft gehad. Hoe onbetekenend een feit ook lijkt, hij zoekt het na - zoals dat voor een micro-storia ook moet.

Maar het verhaal dat hij binnen dit feitelijke raamwerk opbouwt is helemaal niet verifieerbaar. Tante Ina krijgt geen achternaam. Haar brieven worden geciteerd, maar zonder datum of vermelding van een adressant. Haar raadsman en die van de Spoorwegen blijven anoniem. Juist in die kleinste kring van het verhaal houdt Hotz de feiten onbestemd en neemt een andere prioriteit het over.In de woorden zie je weliswaar de jaren twintig spiegelen en tante Ina en die doodstrein, wat je hoort is onderwijl iets anders. Je hoort Hotz. Het is zijn geest die spreekt, het is zijn wereldbeeld en thema, en ten slotte krijg je argwaan. Is het niet te mooi om waar te zijn dat een waar gebeurd verhaal zich naadloos naar een schrijver voegt? Zou tante Ina wel in die trein gezeten hebben? Heeft tante Ina wel bestaan?

Betrokkenheid

Je weet niet waar precies, maar ergens in De voetnoot ligt een punt waar Hotz de vaste weg van de feiten verlaat - en het is daar, op dat punt, dat zijn liefde begint te spreken. Hij verwisselt de distantie van de wetenschap voor de betrokkenheid van de literatuur. Hij ziet de dingen niet van buitenaf, hij kijkt van binnenuit en vult de levenloze feiten met zijn aandacht. Hij geeft een brief een stem mee en die stem weer een karakter. Hij zet een foto in beweging, geeft er een verhaal aan mee en vindt daar personages bij die nog niet op die foto stonden. Dat is hoe hij het verleden weer tot leven wekt: hij injecteert de dode sporen met zichzelf, zijn geest, zijn verlangen.

Met zijn verbeelding, dus. Maar die verbeelding is geen vrije verbeelding die kan gaan waarheen ze wil, ze ligt bij Hotz aan strakke banden. Hij zal nooit toestaan dat ze hem met de feiten van de historische werkelijkheid in strijd brengt. Ze mag daar haar eigen adem in blazen, maar ze mag de grens van de waarschijnlijkheid nooit overschrijden. Zelfs in zijn meest vrije verhalen staat de verbeelding altijd nog in dienst van het benaderen en bemachtigen van een historisch echt, fysiek bestaand, verleden. Het is een verbeelding die de werkelijkheid laat zien, en het verbazende gevolg is dat je dat verleden bijna niet als fictie ondergaat. Zo moet het zijn geweest.

Het is die illusie die het werk van Hotz een onnavolgbare sensatie meegeeft. Het vertelt van een verleden tijd die onderhevig is aan ouderdom en ziekte en slijtage en verderf en willekeur en zoveel meer dat naar de dood neigt. Een verleden tijd dus die gedoemd was af te sterven en vergeten te raken. Maar die tijd, dat is het wonder, daar zet Hotz je toch juist middenin. Alsof je een tijdmachine instapt en deur dicht, zoef, deur open, in een andere tijd weer uitstapt. Daar is het er allemaal weer, ineens, zo levend als maar kan. Dat kan niet, nee, maar kijk dan. Het gebeurt mooi wel.

Het is alleen om dat mirakel al dat het werk van Hotz de P.C. Hooft-prijs verdient. Het verrast je bij het lezen met de duizeling van een historische sensatie, die hemelse hapering in de zwaartekracht. Het brengt je met zijn introverte gevoeligheid dicht in de buurt van een verklaring wat nu toch het gelukzalige van heel de omgang met een zogeheten dood verleden is. Het viert een overwinning op de tijd, die schoft die alles sloopt. Het viert misschien zelfs wel de enige overwinning op de tijd die mensen op den duur gegeven is. Het toont de macht van de verbeelding die de liefde is en biedt daarmee, boven alles uit, troost.

Als tante Ina sterft, hoopt Hotz nog dat hij op haar kamer een briljant dramatisch werk van haar zal vinden dat haar aan de tand des tijds onttrekt. Het enige wat hij echt vindt is een manuscript over de juridische implicaties van haar ongeval. Een knap werkstuk, zegt een advocaat, hij zal er een 'behartigenswaardige voetnoot' aan wijden. Zo eindigt tante Ina: in een voetnoot. En in De voetnoot. In een verleden, maar niet dood.