Het teveel ligt op de loer; Joost Zwagerman

Joost Zwagerman: Het jongensmeisje. De Arbeiderspers, 198 blz. ƒ 29,90

Meteen vanaf zijn debuut, De houdgreep (1986), was hij krachtig aanwezig in de literatuur. Daarna schreef hij in ruim tien jaar tijd nog eens vier romans, een verhalenbundel, twee dicht- en twee essaybundels. En toch. Lezend in zijn nieuwe verhalenbundel, Het jongensmeisje, bekroop mij de vraag: wie is Joost Zwagerman? Wil hij iemand zijn met een onvervreemdbaar eigen schrijverschap of is hij toch liever de manager van een literair tekstbureau, voor al uw stijlen, thema's en motieven? Hij is van alle markten thuis. Een ouderwets degelijke, Vestdijkiaanse volzin: hij draait er zijn hand niet voor om. De korte spreektalige zin die bij jonge schrijvers op dit moment veel meer in trek is: uit ruime voorraad leverbaar. Een ingenieuze, Dorrestein-achtige plot: hij schudt hem al uit zijn mouw. Een snuifje Brakman, een vleugje Maarten 't Hart, hier en daar wat toefjes Hemmerechts: bij Zwagerman komen ze verrassend samen. Zelfs het impressionistische taalgebruik van de Tachtigers steekt hier en daar even de kop op in woorden als 'zaligvuil', 'stilzuiver', 'zitliggend' of 'trilwimperend'.

Zwagerman doet dus regelmatig aan andere schrijvers denken en zeker niet aan de minsten, terwijl hij met niemand ook maar in de verte verwant genoeg is om van epigonisme beschuldigd te kunnen worden. Hij is handig in het bespelen van verschillende registers, in het vinden van het juiste woord, of het treffen van de juiste sfeer. Hij is wendbaar en veelzijdig. Zijn veelzijdigheid is zijn kracht, maar meteen ook zijn zwakte, omdat het zijn werk iets inwisselbaars geeft.

Het eerste, verpletterend veelzijdige verhaal uit Het jongensmeisje bezorgde mij meteen al een schok. Niet de schok der herkenning die het had moeten opleveren. Want ik had het al eens gelezen en zelfs kort besproken, toen het opgenomen was in een bloemlezing met verhalen van jonge schrijvers. Ik herinnerde mij er niets meer van. Destijds karakteriseerde ik het als een 'buitengewoon routineus' geschreven verhaal en dat vind ik het nog steeds. 'Winnie en de onschuld' is een vlot vertelde, buitenkantige geschiedenis die wonderwat wil suggereren - Liefde, Passie, Onschuld - maar in veel woorden blijft steken. Wat moeten we ons voorstellen bij een meisje dat een intense hekel heeft aan auto's, maar dat evengoed vrolijk in een drukke stad woont? Of bij hetzelfde meisje dat 'onge¨inspireerd' een 'tamelijk briljante' scriptie schrijft over Mark Rothko en het Zenboeddhisme? In dit verhaal zit wel ongeveer alles wat van een kort verhaal verwacht kan worden: beetje seks, beetje humor, beetje cultuur, beetje stadsrumoer, beetje provincie, beetje fantasie, beetje woede, beetje liefdesverdriet. Alle beetjes vormen een keurig geheel, maar zonder prikkeling. Met bange voorgevoelens begon ik aan het tweede verhaal, maar dat bleek heel anders te zijn: directer, spannender, verontrustender ook. 'Slaag' gaat over een man die zijn vriendin op haar verzoek en met inachtneming van strikte regels af en toe slaat. Dat brengt al de nodige spanning met zich mee, maar griezeliger is nog dat de man zijn rol van 'grote meneer' met de nodige tegenzin vervult. Al gauw is het niet meer zo duidelijk wie nu de geestelijke klappen uitdeelt en waarom. Dat geeft een aardige, psychologische verdieping aan de sm-spelletjes. Voor de overige negen van de elf verhalen geldt dat ze elk op hun manier levendiger en overtuigender zijn dan het openingsverhaal, zonder dat er een uitgesproken meesterwerk tussenzit. Met smaak opgetekend is de tragikomische episode over de dikke mevrouw Hooghiemstra en haar graatmagere, jaloerse echtgenoot. Hij verzint een list om haar dement of ontoerekeningsvatbaar verklaard te krijgen, om haar vervolgens in haar eigen huis te kunnen gijzelen. Zo hoopt hij haar vetplooien weer helemaal voor zichzelf te hebben en nooit meer met anderen te hoeven delen. Vertederend is het stamelende Indianenverhaal van een jongen die smoorverliefd is op zijn grote zus, en die het liefst met verentooi en al in haar zou verdwijnen.

Het jongensmeisje is bijna in zijn geheel gewijd aan mannen die niet zoveel voor menen te stellen en zich verregaand identificeren met een vrouw. Meisjesjongens zou je ze kunnen noemen die haken naar jongensmeisjes, in de hoop zich ooit een compleet mens te voelen. In 'Tomaatsj' gaat die vereenzelviging zover dat de echtgenoot van een zwangere vrouw niet alleen net zulke hevige wee¨en krijgt als zij, maar tenslotte ook met haar een soort bevalling doormaakt. Zodat zij na gedane zaken bewonderend tegen hem kan zeggen dat hij zich fantastisch gehouden hZoveel watjes bij elkaar, lijkt Zwagerman te hebben gedacht, daar moet in elk geval ´e´en echte man tegenover staan. In 'White Palace' treedt een stoer type op dat zijn Margootje nu eens niet voor zichzelf hoeft te houden, maar juist met velen deelt, tegen leuke prijzen. Hij zit in 'de bisnis', louche bisnis, en bezigt een bijbehorend jargon met veel fuck, shit en kut. Ook raakt hij bij een van zijn deals in het bezit van een caf´e aan het Spui in Amsterdam, waar veel 'schrijverds' komen, zoals hij dat uitdrukt. Hij ontwikkelt plannen om deze 'ongewassen grauwbakken', deze 'Bulgaren' eruit te werken, zodat hij het caf´e kan verbouwen tot een modern, wit paleis. Maar tenslotte bedenkt hij zich, want macho's hebben ook hun zwakke plek, en mogen de schrijverds hun caf´e houden. Een geinig verhaal, maar niet veel meer dan dat. De grootste grap is natuurlijk dat Zwagerman zichzelf en zijn kunstbroeders in het ootje neemt. In de ogen van de pooier vullen deze armoedzaaiers hun dagen met geklets over niks.

Zwagerman beschikt over veel stemmen. Zoet, grof, stamelend, hoogdravend, ordinair, snel, traag, plechtstatig of afgemeten. Dat is een gave. Hij kan veel, maar zijn probleem is misschien wel dat hij dat te graag wil demonstreren, zodat er al gauw een soort oververzadiging optreedt. Aan het gescheld op de 'schrijverds' is dat goed te zien. Zij heten niet alleen 'losers', maar ook 'geteisem', 'grauwbakken', 'gesubsidieerde reetkevers', 'karpatenkoppen' en 'sociopaten'. Het teveel ligt bij Zwagerman steeds op de loer, alsof al die mooie, nadrukkelijke en met zorg gekozen woorden de existenti¨ele schamelheid van zijn personages moeten bedekken. Zijn mannen willen er immers liever niet zijn. 'Alles moet weg', zegt de jongeman in het titelverhaal tegen zichzelf. 'Je lichaam om te beginnen, je ziel, om het af te maken.' Nergens in deze bundel wordt de lezer door dit ongemakkelijke levensgevoel ook werkelijk besprongen. Steeds is er de dempende deken van mooie, ironiserende of relativerende taal. Misschien zou hij alle conventies eens overboord moeten gooien om eens een nors en onaangepast verhaal te kunnen schrijven.