Geachte heer Mulisch

Het spijt me dat ik de feestvreugde rond het verschijnen van uw nieuwe boek verstoor met een schrijven over wat lijken in uw kast (miljoenen lijken, zou ik moeten zeggen, en wel Chinese). Maar nu u weer overal uw visie op Life & Times geeft, en interviewers als vliegen van u af slaat wanneer zij de euvele moed hebben om uw politieke geloofsbelijdenissen uit het verleden aan de orde te stellen, verstout ik me tot het publiceren van deze brief.

De aanleiding is een recent vraaggesprek met de negentigjarige socioloog W.F. Wertheim, uitgezonden door de NPS-radio. Ruim een kwart eeuw geleden was deze radicaal-linkse professor een van uw geestverwanten. U concipieerde in die tijd Het woord bij de daad, waarin het dictatoriale Cuba werd gekarakteriseerd als “veel democratischer dan Nederland of de USA”. Ook koos u de zijde van de Rode Gardisten, die behalve met Mao-boekjes ook met bijlen zwaaiden om China te ontdoen van verderfelijke, rechtse elementen.

Wertheim heeft het marxistische schrikbewind in Peking decennialang verdedigd. Hij sprak over “het wonder China”. De Grote Sprong Voorwaarts, een megalomane poging om de Volksrepubliek eind jaren vijftig in één klap op Westers niveau te brengen, had volgens hem absoluut niet geresulteerd in een grootschalige hongersnood. Er waren hooguit enkele tienduizenden Chinezen omgekomen.

En dan de Grote Proletarische Revolutie ('66-'69). Beslist geen miljoenen mensenlevens vergende burgeroorlog, verkondigde Wertheim steevast, maar “een heldhaftige poging” van de Grote Roerganger om “het teruglopend getij in de revolutie tegen te houden”, een “moedig Chinees experiment om een nieuwe mens te scheppen”.

Uw eigen opinies, meneer Mulisch, kwamen indertijd op hetzelfde neer. U schreef lyrisch over de Culturele Revolutie: “In een onbeschrijflijke storm keerde een volk van bijna een miljard personen uit zelfbehoud terug tot zijn revolutionaire inspiratie (...).” Zelfs Cuba had zoiets prachtigs niet te zien gegeven: China was in uw ogen het toneel van “misschien de meest fantastische gebeurtenis uit de wereldgeschiedenis”.

Hoe kijkt Wertheim er anno 1998 tegenaan? Voor de NPS-microfoon nuanceerde de professor zijn meningen. Hij beschouwt de Grote Sprong Voorwaarts inmiddels als een “geweldige blunder” van de Chinese communisten (“De grootste ellende is daaruit voortgekomen”). Wertheim gelooft nog steeds niet dat historici gelijk hebben als zij het aantal doden op minstens twintig miljoen schatten; hij denkt nu in de richting van “vier of vijf miljoen”. Maar, voegt hij er aan toe, “dat is natuurlijk vier of vijf miljoen te veel”. Voor de Culturele Revolutie heeft Wertheim vandaag de dag geen goed woord meer over. In de jaren zeventig dacht hij dat het bloedige oproer “een les zou kunnen worden voor de hele wereld”, maar: “Ik wil nu zonder meer zeggen dat dat een grote vergissing van me is geweest.”

Mijn vraag, meneer Mulisch, is de volgende. Waarom weigert u de weg van Wertheim te bewandelen? Waarom komt u niet terug op de verkeerde keuzes die u ooit hebt gemaakt? Bent u wellicht helemaal niet van mening veranderd? In het tijdschrift Rails noemde u Fidel Castro begin dit jaar nog “de Willem de Zwijger van Cuba” en “het allerbeste voor dat land”. Aan China kwam de interviewer niet eens toe: u weigerde van gedachten te wisselen over uw sympathie voor onderdrukkende regimes (“Ik heb hier genoeg over gezegd. Vèrder”).

In dat interview zei u ook: “Ze willen altijd dat je jezelf verraadt!” Met permissie: het gaat gewoon om het opbrengen van intellectuele moed. U zou het toch ook geen zelfverraad noemen als een ex-NSB'er verklaart dat hij helaas een paar dingen fout heeft gezien? Wat betreft China doet zich nu de curieuze situatie voor dat de communisten aldaar hun historische misstappen erkennen, terwijl u er de mantel der liefde overheen drapeert. Waarom, meneer Mulisch, blijft u misdadigers dekken die zichzelf al schuldig hebben verklaard?

Een potentiële Nobelprijs-winnaar kan maar beter zijn kasten leegruimen voordat hij in Zweden acte de présence moet geven.

Wijlen W.F. Hermans zal ongetwijfeld jaloers zijn geweest op uw megasucces, maar zijn verlangen zelf te mogen afreizen naar Stockholm stond een heldere kijk op u niet in de weg: “Mulisch heeft elke dag stilzwijgend een andere mening, net als een journalist. Een serieuze denker moet de ontwikkeling in zijn denken blootleggen.”

Wordt het geen tijd om uw daad bij zijn woord te voegen?