Een hortende Gijsbrecht

Edward van de Vendel: Gijsbrecht. Met illustraties van Hanneke van der Hoeven. Querido, 122 blz. ƒ 29,90

Op 3 januari 1638 werd de nieuwe schouwburg van Amsterdam ingewijd met de première van Gijsbrecht van Aemstel van Joost van den Vondel. Vondel vertelde van de val van Amsterdam en zijn heer in 1304. Hij projecteerde de grootsheid van zijn eigen zeventiende eeuwse Amsterdam op de stad in de middeleeuwen. In zijn opdracht aan Hugo de Groot licht Vondel zijn keuze toe. Hij wou de stad en de burgerij behagen. En dan ligt het toch voor de hand dat 'onze eige zaecken ons meer ter harte gaen dan die van vreemden en uitheemschen'?

Meer dan drieëneenhalve eeuw later kiest dichter Edward van de Vendel er om hele andere redenen voor om juist de Gijsbrecht voor kinderen te bewerken. Zijn opdracht, aan niemand in het bijzonder gericht, luidt: 'Je pakt een boek./ Je bent op zoek/ naar een verhaal/ van vuur en avontuur en vriendschap,/ trouw, verraad en vechten/ en natuurlijk echte,/ echte liefde...' Van de Vendel ziet in Vondels stuk de verbeelding van universele emoties. Hij heeft het toegespitst op wat het betekent held te zijn. Laat je je vrouw dan zitten om je op te offeren aan de strijd? Pak je je kinderen dan zonder scrupules hun vader af? Of kan het juist heldhaftig zijn het hoofd te buigen en je terug te trekken?

De nieuwe Gijsbrecht is geen toneelstuk, maar bestaat uit het soort korte, onder elkaar afgedrukte prozazinnetjes dat de laatste tijd nogal in is in kinderboekenland. Proza dat doet alsof het poëzie is, zoiets. De precieze functie ervan is in dit geval onduidelijk. Het werkt eerder tegen, omdat je geneigd bent de tekst hortend en stotend te gaan lezen, met pauzes op rare plaatsen: 'en ja dat deed hij ook bij ene Machteld.'

Van de Vendels bewerking komt niet alleen wat het taalgebruik betreft wat moeilijk op gang. Het eerste bedrijf bevat veel namen en verwijzingen. Achter elkaar worden genoemd: de Kennemers, de Waterlanders, hun aanvoerders Egmond en Haarlem, Graaf Floris, de Friezen, de Vlamingen, Machteld, haar man en vader en natuurlijk Gijsbrecht. Voor een volwassene die goed onderlegt is in de vaderlandse geschiedenis of letterkunde is het wel te volgen, maar een kind dat daaromtrent in het duister tast, haakt waarschijnlijk af. Het is dan ook beter voorstelbaar dat deze Gijsbrecht in een klas gezamenlijk wordt gelezen, dan dat een individueel kind ernaar zal grijpen. Daarom is het eigenlijk jammer dat het niet langer een toneelstuk is, waarbij verschillende kinderen elk een rol kunnen lezen.

Af en toe zijn zinnen bijna letterlijk te herkennen als afkomstig uit het origineel. Maar over het algemeen paste Van de Vendel taal en toon sterk aan. Waar Klaeris, moeder-overste van het clarissenklooster, bij Vondel tegen de verjaagde bisschop van Utrecht zegt: 'Och, vader Gozewijn! waer ziet ge my voor aen?/ Zoo ick u dus begaf, hoe zou dat my betaemen?/ Gy zijt mijn maeghschap toch, naer vleesch en geest te zaemen', roept ze bij Van de Vendel kortweg: 'Wat denkt u wel?/ We zijn familie, ja?/ Ik ga niet weg/ als u hier blijft!' Af en toe staat Van de Vendel zichzelf een melig grapje toe. 'Na maanden van beleg/ nog niet veel dunner' denkt Gijsbrecht verbaasd als hij de dikke abt van het kartuizer klooster ziet.

De verhaallijn van de vijf bedrijven bleef grotendeels in stand. Gaandeweg raakt de lezer meer betrokken bij wat er gebeurt. Aangrijpend is de liefde van Gijsbrechts gemalin Badeloch die maar zit te wachten en te smachten, snakkend naar nieuws van het front op de Dam. Als Van de Vendel 'het grootste en het roodste bloedvergieten' tussen de pilaren in de Nieuwe Kerk verwoordt, wordt zijn Gijsbrecht zelfs even opwindend spannend. Maar het mooiste aan dit nieuwe oude boek zijn toch de tekeningen van Hanneke van der Hoeven. Met fiks geklodder met zwarte inkt slaagt ze erin Gijsbrecht vol vuur opnieuw zijn al zo vaak verloren strijd te laten voeren.