Concertgebouworkest met Herreweghe zeer ingetogen

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest, Collegium Vocale Gent en La Chapelle Royale o.l.v. Philippe Herreweghe. Werken van Mendelssohn en Schubert. Gehoord: 8/10, Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 9 en 11/10. Uitzending 11/10, Avro Radio 4, 14.15 u.

Componisten kunnen tegenwoordig op hun veertigste nog moeiteloos doorgaan voor jong en veelbelovend. Dat was vroeger anders. Mendelssohn, die in 1847 op 38-jarige leeftijd stierf, kon zich zo'n lange jeugd niet veroorloven. Schubert, die in 1828 op 31-jarige leeftijd stierf, al evenmin. Beiden waren begin twintig toen zij al werken van grote diepgang en volgroeid genie schreven, zo wordt weer eens duidelijk in het programma dat het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van de Vlaamse dirigent Philippe Herreweghe dezer dagen uitvoert.

In zijn Vijfde symfonie (in chronologisch opzicht zijn derde) toont Mendelssohn een enigszins kameleontisch voorkomen. Zonder echter een moment zijn meesterschap over de driedelige vorm te verliezen, getuigt hij in deze stilistische dubbelzinnigheid van een visionaire blik. Het langzame slotdeel echoot in de lyrische vioollijn weliswaar de door hem zo bewonderde Bach, maar het Andante waarmee de symfonie opent blikt met lijnen die als lagen over elkaar schuiven vooruit naar Brahms (Eerste symfonie) en naar Mahler (Adagietto van de Vijfde). En natuurlijk naar Wagner, die in Parsifal als graalsmotief evenals Mendelssohn in dit Andante nadrukkelijk het Dresdner Amen citeert.

Met Herreweghe als dirigent wordt het Concertgebouworkest een beheerst ademend organisme. Licht en transparant in kleur, maar soms een beetje tè ingetogen. Zo had het slotdeel van de symfonie, dat het niet zozeer moet hebben van de muzikale vondst alswel van de herkenbaarheid van de Lutherse koraal Eine feste Burg ist unser Gott, op momenten best wat puntiger gekund.

En zo liep ook Schuberts Mis in As-groot, ondanks grootse passages, wat flauwtjes ten einde. Schubert is daar zelf trouwens mede debet aan. Zijn 'Agnus Dei' is geen hartverscheurende uitroep om goddelijke ontferming, maar een lammerzachte zucht om innerlijke vrede. De meest briljante passages uit deze mis zijn te vinden in het 'Gloria', waarvan met name de uitgesponnen slotfuga meesterlijk is, en in het 'Credo', met voor Schuberts tijd koene harmonische progressies, dramatische contrasten en een koor dat langzaam vanuit de laagte omhoog golft.

Door het koor (een combinatie van de door Herreweghe opgerichte groepen Collegium Vocale Gent en La Chapelle Royale) als een instrumentgroep te situeren en het solistenkwartet tussen koor en orkest te plaatsen, opteerde Herreweghe voor een optimale synthese tussen de vocale en instrumentale componenten.