Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen

Mijn vader gesloten als een oester noemen, is de oester tekort doen. Tot op het laatst is hij blijven zwijgen. Wat hij wel eens zei was: 'Zet een wacht voor uw lippen.' Ook al was hij ongelovig, deze bijbeltekst vond hij het waard te parafraseren. (Psalm 141:3. Zet, Heer! een wacht voor mijne lippen.)

Eén keer kreeg ik hem na herhaaldelijk aandringen zo ver vragen te beantwoorden over zijn leven. Het leverde een interview op waarin de vragensteller meer aan het woord is dan de bevraagde. Wat verder rest zijn de archivalia. Foto's, documenten, agenda's. Geen brieven, geen dagboek. Aan het papier vertrouwde hij zijn gedachten evenmin toe.

Dus ook zijn agenda voor het jaar 1978 is zo goed als leeg, op enkele woorden en een reeks getallen na. Ik blader erin en probeer de betekenis van die cijfers te doorgronden. 120, 120, 54, 264. Ze lopen uiteen van laag tot hoog, van 0 (een liggend streepje) tot 412 (op 30 augustus).

Het leven is autonome chaos. Zo'n reeks getallen biedt de schijn van regelmaat en controle. En vooral: ze geven zich niet bloot. Er kan zich van alles achter verschuilen. Je kunt - zoals de Oostenrijkse toneelschrijver Arthur Schnitzler deed - bijhouden hoe vaak je gemeenschap hebt. Of hoeveel je uitgeeft. Of hoeveel personen je per dag ontmoet. En zoveel meer. Maar met personen of financiën lijken deze cijfers niets van doen te hebben.

Na enige tijd zie ik het. Mijn vader was een treinengek. Hij vond het vanzelfsprekend om locomotiefnummers, uithangborden met vertrektijden, en voorbijrazende treinen te fotograferen. Het leverde een in familiekring beruchte verzameling foto's op. Maar van treinen wist hij 'alles', en dus ook de afstanden tussen stations. Dat herinner ik me. Het zijn die afstanden die het waard bevonden zijn vastgelegd te worden, mits door mijn vader per spoor afgelegd.

30 mei: 120 kilometer. Dat is Overveen - Utrecht retour. Ging hij vanaf Overveen alleen even op en neer naar Haarlem: 4 kilometer.

Resteren de letters die soms opduiken. Veel M, een enkele C. Soms ook op dagen zonder treinkilometers. Op 3 juli reisde hij 136 kilometer om een M te ontmoeten, aangenomen dat M een persoon is. Een minnares? De gedachte is een fantasie waard. Over een wild, volkomen verborgen leven. Maar waarschijnlijk is M gewoon een mannelijke collega.

Dat past ook beter bij mijn vader die op 31 augustus - M werd die dag ontmoet! - in zijn agenda de voor hem veilige, maar ongewoon lange zin noteerde: 'Asd CS tr 37 (AsdBrussel) moet worden getrokken door loc 1141.'

Ach pappa...