Zappen langs cyberpunk en pastiche

Het Crossing Border festival is het logistieke knooppunt van pop en poëzie en speelt voorbeeldig in op de hedendaagse uitgaanscultuur van Nederland Partyland. Maar ook staat het in de romantische traditie van persoonlijke expressie en zelfstilering.

ER WAREN EENS 'jeugdsozen'.

De term klinkt even muf als 'kringgesprek' of 'werkgroep', en is dan ook afkomstig uit dezelfde jaren zeventig en tachtig.

Jeugdsozen - ze waren ondergebracht in voormalige kleuterscholen, boerderijen of houten keten, liefst aan de rand van de stad. Ze hadden halfzachte namen als 'Roepie Groepie' (Krimpen aan den IJssel), 'Quasi' (Rotterdam-Zuid) of, strijdhaftig en toch zielig, 'Geronimo' (Rotterdam-Noord).

Het aanbod aan vermaak was er altijd hetzelfde. Daar zat je dan, in je houthakkershemd en spijkerbroek, de hele avond op één jointje en één beugelflesje Grolsch voor de zoveelste keer te luisteren naar Hotel California, of naar een avondvullende gitaarsolo.

Af en toe kwam de Nederlandse protestzanger Armand langs, om de zaak op te vrolijken. De jaren zestig waren vervlogen, maar zijn anti-kapitalistische tearjerker 'Ben ik te min (omdat je vader meer poen heeft dan de mijne)?' wist de stemming er nog altijd goed in te brengen. Een gedicht hoorde je er nooit, hooguit stalde een blowende scholier er wel eens zijn zelfgemaakte houtskoolportretten van popsterren uit.

Het was, zoals 'ze' zeggen, een andere tijd. Multi-tasking? Je mocht blij zijn als de grammofoon en de bierpomp het een avondlang tegelijk deden.

Op de keper beschouwd verschilden zulke avondjes in het jeugdhonk eigenlijk niet veel van die van onze ouders. Zij zaten, in die vroege welvaartsjaren, de hele avond thuis op één fles jenever naar één leuke omroepster te kijken op één zwartwit-tv. Tot er een gezellige oom langskwam om, na één glas rosé te veel, de herkenningsmelodie van Bonanza te rammelen op de piano.

Met zulk primitief vermaak komt een Nederlander nu niet meer weg, oud of jong. In het Nederland Partyland van de jaren negentig wordt, ondanks de lemmingenpaniek op de beursvloer, nog altijd meer van je gevraagd dan onderuitzakken in de kussens, in afwachting van Armand of de gezellige oom. Individualisering, secularisering, post-mammoetonderwijs, hyper-welvaart en betere voeding hebben een amusementscultuur gecreëerd die, sterker nog dan het Sociaal en Cultureel Planbureau in zijn jongste rapport denkt, een Nederlander uit de jaren zeventig nauwelijks zou herkennen. Disneyland aan de Amstel, bevolkt door overvoerde consumenten die tegelijkertijd een Big Mac eten, een plaat draaien, over hun aandelen bellen, een jus drinken en een email versturen. Eindelijk multi-tasking op niveau.

Het festival Crossing Border speelt al jaren voorbeeldig in op die uitgaanscultuur. Het is eclectisch, het is multi-cultureel. Het is kleurrijk, informeel en vrolijk. Het is 'postmodern' in topvorm, zou je kunnen zeggen - al moet je met die term oppassen. De remschoenen van dat begrip zijn zo versleten dat zelfs geen tweedehands-autohandelaar er meer in durft te rijden.

Maar eigentijds is Crossing Border zeker, om voorlopig een veiliger term te kiezen. Je surft er op de bezoekersstroom mee van zaal naar zaal, moeiteloos zappend tussen de heroïne-romantiek van Irvine Welsh, het digitale vitalisme van Eboman, de cyberpunk van William Gibson of de poëtische punk van Henry Rollins, de religieuze pastiche van Gerard Reve, of het absurdisme van Arnon Grunberg, of dat van Robert Crumb, en de montere polder-country van Ilse DeLange. Om maar een paar 'opties' te noemen. Uitgaan is hier geen stoomtrein meer die met amechtig gepiep langs de stationnetjes Quasi en Geronimo zwoegt, maar een achtbaan langs ingrediënten voor een geheel naar eigen voorkeur samengestelde zilverkleurige cocktail.

Dit festival is, kortom, niet-calvinistisch. Net als in de rest van Partyland geldt: als de preek je niet bevalt, kun je altijd de kerk uit. Niemand hoeft te wachten tot het pepermuntje is opgesabbeld. Het lampje boven de uitgang blijft geruststellend branden.

In de tussentijd wordt er voor je gezorgd en ben je van alle gemakken voorzien: muziek, voordracht, voedsel, drank en een koor van gelijkgestemden. Ook die comfortabele setting, bedoeld om het risico van verveling tot een minimum te beperken, heeft het festival gemeen met andere delen van Partyland. Zelfs de meest minimalistische feestvierder van de jaren negentig, de gabber, komt tussen twee rondjes headbangen door uithuilen aan de fruitbar, of in de armen van moederlijke types in de EHBO-post.

Is dat zoals sommige cultuurpessimisten vrezen verwend, of zelfs - help! - decadent? Is Crossing Border een uiting van de 'postmoderne verwarring' die Partyland in zijn greep heeft? Is het een hangplek voor jongeren met de aandachtscurve van Beavis and Butthead? Die niet blikken of blozen bij een rapgroep die Vondel doet, begeleid door een blaasensemble van aborigines? Een dichter die pingpongt met pinguïns, of een collage maakt met de kettingzaag?

Welnee. Dit nachtleven mag dan een salad bar en geen bord spruitjes meer zijn, maar waarom zou dat van verwarring getuigen? Zolang de ingrediënten herkenbaar blijven is een salad bar een vooruitgang.

Crossing Border is - en dat is het postmoderne eraan - een logistiek knooppunt van popmuziek en poëzie. Ze worden gecombineerd, naast elkaar geplaatst en vermengd, maar zonder hun eigen aard of zeggingskracht te verliezen. Dat kan natuurlijk ook goed, want pop en poëzie zijn familieleden, en niet echt verre. Beide staan in de romantische traditie van persoonlijke expressie en zelfstilering die in de twintigste eeuw de dominante cultuur is geworden in het Westen, ook voor de massa.

Wie daaraan twijfelt, hoeft maar de radio aan te zetten en Ilse DeLange over verloren liefdes horen zingen. Of langs het plankje New Age-lectuur in de Bijenkorf te lopen - óók een romantisch medium voor een doelgroep die zijn gevoelens niet heeft leren stileren via Freud of de wereldliteratuur. Of zich onder te dompelen in een houseparty en de cultus van het feest als persoonlijke verfraaiing; ook het groepsgevoel van de cyber-incrowd heeft een romantische toonzetting.

Crossing Border staat in die romantische traditie, al ligt de lat hoger dan René Froger en kunnen de meeste bezoekers vermoedelijk wel een mening over Freud oplepelen, of simuleren. Het kleinschalige karakter van het festival, de geringe afstand tussen publiek en performer en de informele sfeer staan er bovendien garant voor dat pop en poëzie zich zo authentiek mogelijk tonen, en dus juist zonder postmoderne opsmuk. De kunstenaar staat centraal, en zo dichtbij het publiek dat de vonk, als hij overspringt, bij iedereen lijkt te kunnen ontvlammen - ook dat is romantiek.

Vandaar dat het circuleren op dit festival ook niet het doodse karakter krijgt van een schuifelende toeristensliert, of de lamlendigheid van een parade funshoppers in een Patser Plaza, of op Schiphol op zondag. Dát zijn de echte postmoderne enclaves in Partyland: het NS-station dat een walmende braderie is geworden van gebraden kip en kaascroissants. De aankomst- en vertrekhal van Schiphol, waar permanente Dixieland schettert en zoveel koop-impulsen lonken dat het een wonder mag heten dat er, na een kilometer lange hordenloop langs hamburgertenten, ooit nog iemand vertrekt. Als de Nederlander iets heeft geleerd van dit soort postmodernisme, is het de kunst van het lopend eten.

Hier hebben we te maken met twee zeer verschillende logistieke functies, hoe postmodern ze allebei ook zijn. Tegenover de leegheid en vervreemding in de openbare ruimte staan de spanning en energie van zo'n Haags kunstfestival voor betalende bezoekers. Dat heeft niets te maken met een wezenloze bungyjump-cultuur die alleen maar denkt in Hevige Prikkels, maar alles met kunst die de afstand tussen toeschouwer en artiest verkleint - en dus werkt.

Eindelijk treden The Eagles zélf een keer op in het jeugdhonk.

Crossing Border heeft nog een bijkomend voordeel. Het brede aanbod en de keuzevrijheid van het publiek om te zappen betekenen het einde van een plaag die andere poëzie-festivals sinds de Actie Tomaat heeft geteisterd: de Jonge Rebel die op het podium springt om tegen alle ouwe zakken te brullen dat we Nu Hier Zijn, en Vermaakt willen worden.

Zij staan nu namelijk óók op het podium.

Armand, intussen, speelde afgelopen zaterdag in Leiden, op het feest ter herdenking van het ontzet. Hij zong er 'Ben ik te min', meegebruld door een dronken meute. Protestzanger in Partyland.

Dat is pas postmodern.