Trou moet blijcken

De moeder

Hij sprak en zeide

In 't zaêl zich wendend:

Vaarwel, o moeder

Nooit keer ik weêr.

En door de lanen

Zag zij hem gaan en

Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking.

Doch, bijna blijde

Beval den maegden:

Laat immermeer

De zetels staan en

De lampen aan en

De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren

Melaats, een zwerver

Ter poorte klaagde:

Uw zóon keert weer.

Zag zij hem aan en

Vond geen tranen

Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

Geerten Gossaert (1884-1958)

Ja, iedereen kent het en iedereen vindt het mooi en prachtig, maar waarom vinden we het mooi en prachtig? Met een beetje brutaliteit zouden we kunnen zeggen: omdat het zo'n gedicht is waarvan we ons maar moeilijk kunnen voorstellen dat het ooit niet bestond. Het heeft iets gemakkelijks, iets afgeronds, iets compleets - kortom, iets vanzelfsprekends. Het past in onze poëtische voorraadschuur als een pollepel in de keukenla.

Toch is de sensatie van vanzelfsprekendheid eigenaardig. Het is geen gedicht in de taal die we dagelijks hanteren. Het staat vol archaïsche uitdrukkingen -

Hij sprak en zeide

- 't is in de eerste regel al raak. Dat klinkt ouderwets, dat klinkt plechtstatig. En meteen daarop -

In 't zaêl zich wendend

- wie gebruikt er nu zaêl als hij zadel bedoelt? Onweer voor onweder, neer voor neder, we herkennen het verschijnsel, maar veel voor vedel, aal voor adel en zaal voor zadel, het klinkt eerder aanstellerig dan natuurlijk. Op school dacht ik altijd - dit is een echt school- en declamatiegedicht - dat zich hier iemand omdraaide in een grote zaal. Over zijn schouder zijn moeder aankijkend. In een huis met lanen en een slotbrug neem je op z'n minst afscheid in een zaal, nietwaar? Wat te zeggen van de zin met Beval den maegden - een ware opeenhoping van gekunsteldheden? Die derde naamval is archaïsch, de spelling met ae is reactionair en het hele begrip maagden voor dienstmeiden riekt naar tijden van ver vóór de uitvinding van de doorspoel-wc.

Natuurlijk zit er in die negentiende-eeuwse plechtstatigheid een groot element van pastiche en parodie. De dichter Gossaert knipoogt bewust naar Bilderdijk en Beets. Zo, op die manier, kunnen we het in onze tijd tenminste alleen maar lezen - als een travestie van de traditie. Dat neemt niet weg dat dit soort poëtisch leentjebuur-spelen in de tijd van Gossaert zelf alle aanleiding gaf om door conservatieve haters van ontaarding en modernisme ingelijfd en verkeerd begrepen te worden. De bijna fantastische waardering voor zijn gedichten tussen 1911 - het jaar waarin zijn enige bundel Experimenten voor het eerst verscheen - en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog berust met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op een misverstand. Het waren de poëzielezers van de rancune en de nostalgie die met Geerten Gossaert dweepten. We hebben er de herontdekkingen van de negentiende eeuw voor nodig gehad en een hernieuwd gevoel voor de geraffineerde wisselwerkingen buiten scholen, ismen en canon om, om Gossaert ook nu nog te kunnen waarderen. De dood van Gossaerts publiek heeft de poëzie van Gossaert gered.

Het gedicht De moeder is van begin tot eind een precieus maakwerk, een taalbouwsel dat zich niet geneert voor zijn gekunsteldheid en retorische foefjes - dát verschaft ons de suggestie van vanzelfsprekendheid. Het blijft luchtig, het vlindert - het wordt geen dreun.

Wat we meestal zien, als in onze tijd poëten zich aan archaïsche vormen te buiten gaan, is dat hun resultaten een hoog Prikkebeen-gehalte vertonen. Bij Gossaert zijn schema en maat er ook, maar het gaat juist om zijn haast ongemerkte variaties op het schema en om de afwijkingen in de maat. 't Is eigenlijk niet meer dan een air, een melodietje dat hij hier ten beste geeft, een simpel iets, maar we horen dat het knap is. We weten dat het knap is, want het wil maar niet uit ons hoofd. De herhaling van dezelfde of bijna dezelfde rijmklanken, sleutelwoorden als moeder, vervloeking en zwerver die door hun ongepaardheid nog luider rijmen, de extatische versnelling die in de tweede strofe optreedt, onder meer door het dubbele enjambement, waarna de slotbrug oorverdovend geopend blijft - heel die strenge knapheid verzoent ons met het toch wel heel sentimentele verhaaltje.

Ik zou ook de Gossaert-bewonderaars niet graag de kost geven voor wie De moeder altijd iets van een geheide tear jerker was. Ze dachten dat de inhoud ze ontroerde - de aloude parabel van de verloren zoon, met de overbekende afloop - terwijl hun ontroering geheel op rekening kwam van de muziek.

De door de dichter gehanteerde vorm is zo'n korset dat elk verhaaltje erin onder hoogspanning zou staan. Niet meer dan drie kale strofen, de eerste met tranen, de tweede 'blijde', de derde verheugd met onzichtbare tranen. Drie bijna identieke strofen - en toch klinken ze op Gossaerts instrument telkens anders. De eerste bitter en koud, de tweede gejaagd en buiten adem, de derde elegisch, een adagio. Alleen virtuozen variëren zo op één gegeven.