José Saramago krijgt als eerste Portugees Nobelprijs voor literatuur; Ironicus met indrukwekkend oeuvre

Vandaag kende de Zweedse Academie de Nobelprijs voor literatuur toe aan de Portugese schrijver José Saramago. Deze eerste Nobelprijs voor een Portugeestalige schrijver is de late erkenning van een taalgebied dat tot de grootste ter wereld behoort.

frankfurt a/m, 8 OKT. “Als de Nobelprijs in Portugal valt, wordt dat een bron van ruzies, afgunst en intriges”, voorspelde ooit José Saramago, aan wie vanmiddag als eerste Portugees de Nobelprijs voor literatuur werd toegekend. Saramago, die al jaren als kandidaat voor de hoogste literaire onderscheiding gold, was te bescheiden. Hoewel de literatuur in Portugal bloeit sinds het land na de Anjerrevolutie (1974) uit zijn culturele isolement kwam, heeft de 74-jarige schrijver van romans als Memoriaal van het klooster en Het beleg van Lissabon maar één serieuze concurrent: António Lobo Antunes, maar die is twintig jaar jonger. De Zweedse Academie heeft traditiegetrouw gekozen voor een schrijver op leeftijd, en verkoos Saramago boven andere eeuwige kandidaten als Günter Grass en Mario Vargas Llosa.

José Saramago (Ribatejo, 1922) werd geboren als zoon van een arme, ongeletterde boerenfamilie, en groeide op in Lissabon. Hij ging een paar jaar naar school, maar noemt zichzelf een autodidact, 'met de werkelijkheid als universiteit'. In de jaren veertig werkte hij als automonteur, machinebankwerker, technisch tekenaar, vertaler en journalist. Het waren ervaringen die hem niet alleen politiek voor het leven vormden - Saramago is altijd een overtuigd communist gebleven - maar ook literair. “Mijn hoofdpersonen zijn geen helden”, zei hij een jaar geleden tegen NRC Handelsblad. “Je zou kunnen zeggen dat ik een klassen-literatuur bedrijf. De geschiedenis uit het perspectief van een graaf of een miljonair zou ik nooit kunnen weergeven.”

Op 25-jarige leeftijd debuteerde Saramago met een novelle, La viuda (De weduwe), die hij beschouwt als een jeugdzonde, maar die inmiddels voor het eerst weer herdrukt is. Pas in 1966 publiceerde hij weer: een kritisch weinig succesvolle dichtbundel met de titel Os poemes possìveis (Mogelijke gedichten) die hem ervan overtuigde dat hij niet voor dichter in de wieg was gelegd. Het besluit om romans te schrijven nam hij twaalf jaar later, toen de krant waar hij werkte failliet ging en hij zich als 56-jarige te oud achtte voor een nieuwe baan. Zijn eerste roman heette Levantado do Chao (Opgetild van de grond), in zijn eigen woorden “een boek over de boeren in een streek waar werkloosheid en de onderdrukking door de grootgrondbezitters, de politie en de kerk de toon zetten.”

Saramago's literaire doorbraak kwam met het ook in het Nederlands vertaalde Memorial do convento (Memoriaal van het klooster, 1982), een roman over achttiende-eeuws Portugal waarin het verhaal van twee gewone mensen wordt afgewisseld met scènes aan het hof van koning Dom João V en van de constructie van het megalomane Mafra-klooster bij Lissabon. Net als zijn andere grote roman over de geschiedenis van Portugal, de tragikomedie Históira do Cerco de Lisboa (Het beleg van Lissabon, 1989), is het een atypische historische roman; Saramago wil vooral laten zien hoe betrekkelijk historische waarheden zijn.

Saramago's op één na laatste roman, Het Evangelie volgens Jezus Christus, zorgde in 1992 voor opschudding. De Portugese regering achtte de 'blasfemische' bewerking van het Nieuwe Testament (tot een roman over schuld en boete) een belediging van het katholieke erfgoed van de Portugese natie. Het was reden voor Saramago, die zichzelf beschouwt als 'een atheïst met een christelijke mentaliteit', om te verhuizen naar het Spaans-Afrikaanse eiland Lanzarote. Daar schreef hij het onlangs vertaalde Ensaio sobre a cegueira (Stad der blinden, 1995), een allegorie over een epidemie in Lissabon. Met de geboren ironicus José Saramago bekroont de Zweedse Academie een schrijver van een indrukwekkend oeuvre (twaalf boeken, vertaald in dertig talen) die zowel avant-gardist is als verhalenverteller, historicus als fantast, mensenkenner als idealist. De eerste Nobelprijs voor een Portugeestalige schrijver is niet alleen de bevestiging van de renaissance van de literatuur van Portugal, maar ook de terechte (zij het late) erkenning van een taalgebied dat met 200 miljoen sprekers tot de grootste ter wereld behoort.