Internationaal onderwijs tegen ad-hoc subsidie

ROTTERDAM, 8 OKT. De instellingen in Nederland die internationaal onderwijs verzorgen, vrezen dat de kwaliteit van hun programma's ernstig in gevaar komt door een mogelijke wijziging van het financieringssysteem.

Deze bezorgdheid werd vanmiddag uitgesproken door prof. J.B. Opschoor tijdens diens dies natalis-rede.

Opschoor is rector van het Institute of Social Studies in Den Haag, dat internationaal onderwijs op academisch niveau verzorgt, en daarnaast bestuursvoorzitter van SAIL, het overkoepelende orgaan voor de vijf Internationale Onderwijs-instellingen (IO) in Nederland.

Volgens een advies van een werkgroep aan het kabinet moet de huidige manier van financiering op de helling. Op dit moment ontvangen de IO-instellingen een vast bedrag van het ministerie van Onderwijs. Daarnaast verstrekt het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking beurzen aan buitenlandse studenten.

Hiervoor in de plaats zou een zogeheten tendering-systeem moeten komen: de instellingen moeten gaan onderhandelen over welke programma's zij willen aanbieden, en slechts voor die programma's krijgen zij geld.

De voorgestelde wijzigingen, die over een aantal weken door het kabinet besproken zullen worden, noemt Opschoor desgevraagd “radicaal” en “een ongehoorde zaak”. Volgens hem leidt doorvoering van het voorstel tot een zeer onzekere situatie. “Je kunt geen serieuze activiteit meer opzetten, omdat je het zicht op de continuïteit kwijtraakt.

Volgens mij realiseert de werkgroep zich onvoldoende wat voor gevolgen de voorgestelde veranderingen hebben.''

Ook komt het academische niveau gehalte in gevaar, zo zegt de bestuursvoorzitter van SAIL, als er uitgegaan wordt van een 'U vraagt, wij draaien'-aanbod.

Opschoor: “Het duurt lang voordat je een goed instituut hebt opgebouwd. Je moet investeren in een hooglerarenbestand, personeel, infrastructuur en langlopende onderzoeksprogramma's. Door het voorstel wordt alles wat je opgebouwd hebt in de waagschaal gezet, en het rapport is daarmee een risico van kapitaalvernietiging.”

Eens in de vier jaar zou overleg gepleegd moeten worden over welke instelling welk programma gaat draaien. Opschoor: “De tijdsspanne is veel te kort.” Een nieuw programma opzetten kost meer tijd, aldus de bestuursvoorzitter. Een ongewenst effect kan volgens hem zijn dat personeel na vier jaar weer op straat staat. “Dat kan toch niet?”

Opschoor is in beginsel niet tegen toepassing van tendering, maar niet voor de kernactiviteiten van de onderwijsinstellingen, de anderhalf jaar durende programma's. “Korte cursussen zijn hier meer geschikt voor.” Opschoor zou het liever zien zoals het nu bij de reguliere universiteiten geregeld is. Daar wordt eens in de tien jaar overleg gepleegd over handhaving, uitbreiding etcetera van alle studies.

Behalve inhoudelijke kritiek op het voorstel van de werkgroep, vindt Opschoor dat het rapport veel zaken openlaat. “Het rapport is omineus. De nieuwe plannen bevatten te veel onduidelijk en onzekere zaken. Bijvoorbeeld met wie wij moeten onderhandelen. Overleg vindt niet direct plaats met het ministerie van Onderwijs, maar met een 'intermediaire organisatie',” zegt Opschoor.