Het kapitalisme heeft het moeilijk met zichzelf; De financiële wereldcrisis

De jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank wordt vandaag afgesloten. Het was een gelegenheid waarbij in de wandelgangen alle mogelijke oplossingen voor de huidige financiële wereldcrisis besproken werden. Eigenlijk, zeggen de deskundigen gaat het om een oude kapitalistische kwaal, waar wat nieuwe elementen zijn bijgekomen, En welke oplossingen hebben ze? Over onmachtige economen en een bekwame Thaise minister.

Alles wat koning Midas aanraakte, veranderde in goud. De koning werd steeds rijker en hij voelde zich gelukkig. Totdat hij ontdekte dat het brood dat hij wilde eten en de wijn die hij wilde drinken, eveneens in goud veranderden zodra hij ze aanraakte. De Midas-aanraking bleek een kwaadaardige kracht te zijn. Midas kwam om van honger en dorst.

De financiële wereld is uit dezelfde droom ontwaakt. Alles wat financiers in de opkomende markten aanraakten leek aanvankelijk geld op te brengen. Maar het werd niet in productiviteitsgroei geïnvesteerd. Zo werd het financiële systeem in die landen opgeblazen, en onproductieve investeringen bleken wat ze altijd al waren _ van weinig waarde. De magie van koning Midas had zich opnieuw tegen de gebruikers gekeerd.

IMF-topman Michel Camdessus trok dezer dagen tijdens de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank een vergelijking met het “diefstalkapitalisme” van vóór 1900. “We moeten nu op wereldniveau doen wat elk land in de vorige eeuw heeft gedaan sinds de tijd van Zola en Balzac: het vestigen van orde, discipline en beschaving”, aldus Camdessus. De anders zo kwikzilverachtige Fransman maakt volgens zijn medewerkers de laatste tijd een terneergeslagen indruk. Misschien nog meer door de kritiek op de rol van het IMF in de crisisbeheersing dan door de zwartgallige prognoses voor de wereldeconomie.

Wat ruim een jaar geleden begon met een kleine blip op de 'radarschermen' van de financiële markten, de devaluatie van de Thailandse bath, is in vijftien maanden uitgegroeid tot wat algemeen “de ernstigste financiële crisis sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog” wordt genoemd. Hoe kon het zover komen?

Toen eind 1994 de peso-crisis in Mexico uitbrak, sprak Camdessus profetisch van “de eerste crisis van de 21ste eeuw”. De plotselinge vlucht van kapitaal uit Mexico was geen incident, maar de zwarte kant van de globalisering. Toen had een miljardeninjectie van het IMF, op aandrang van de Verenigde Staten, nog een heilzame uitwerking. De crisis was binnen een jaar voorbij en vergeten.Maar de echte betekenis van de tequila-crisis werd op dat moment nog niet ingezien.

Het succes in Mexico heeft paradoxaal genoeg de kiem gelegd voor de orkaan die nu over de wereld raast. Risiconemende managers van flitskapitaal wisten voortaan dat ze uitgekocht zouden worden en dat vormde een aanmoediging om nóg meer en nóg grotere risico's te nemen. Het optimisme van internationale investeerders kende geen grenzen meer. Totdat hun troetellanden, de Aziatische 'tijgers', in de tweede helft van vorig jaar ineenstortten. Deze crisis werd vergroot door de immense problemen in Japan, waar het bankwezen al acht jaar worstelt met een nog steeds groeiende berg van oninbare vorderingen. Deze bankencrisis in Japan vormt de belangrijkste verborgen oorzaak achter de huidige wereldcrisis.

Na de economische ineenstortingen in Azië en de Indonesische politieke crisis leek in de loop van dit jaar de rust terug te keren. In de zomer volgde een tweede klap. Rusland raakte in acute betalingsproblemen. De IMF-steun van 4,6 miljard dollar, die twee maanden respijt had moeten geven, bleek in twee weken te zijn doorgesluisd van de Centrale bank via de Russische private banken naar bankrekeningen in het buitenland. Rusland waarschuwde dat het niet langer aan zijn verplichtingen kon voldoen, tenzij het snel extra steun zou krijgen.

Augustus is een slechte maand voor internationale crisisbeheersing. De belangrijkste Amerikaanse bewindslieden waren met vakantie en degenen die in Washington de telefoon opnamen dachten dat de Russen pokerden. In Duitsland was helemaal niemand bereikbaar. Zo kon het gebeuren dat Rusland op 17 augustus eenzijdig zijn binnenlandse schulden waardeloos verklaarde en de betaling van zijn buitenlandse schuldverplichtingen opschortte. Op dat moment speelde in Washington de publicatie van het rapport van Kenneth Star. De Amerikanen waren geobsedeerd door heel andere opwinding dan de Russische default. Voor de financiële markten was het Russische bankroet een geweldige schok. Noch het IMF noch de Verenigde Staten waren ingesprongen om Rusland bij te springen omdat Moskou alle afspraken over economische hervormingen had geschonden. Anders dan in het geval van Mexico en Azië bestond er nu geen ultiem vangnet om internationale beleggers te redden. Dat veranderde in één klap het perspectief van investeringen in risicovolle financiële markten.

Korte tijd later kondigde Maleisië beperkingen op de uitvoer van kapitaal aan. Ook dat zorgde voor koude rillingen bij investeerders: als één land zoiets doet, kunnen andere volgen en dan zou het onmogelijk zijn om hun flitskapitaal uit die markten terug te halen. Zo ontstond een massale kapitaalterugtrekking, een vlucht uit risico's en uit de markten van opkomende landen.

Daar bleef het niet bij. Twee weken geleden werd pijnlijk zichtbaar hoe groot de schade is als speculatieve beleggingsfondsen die werken met het hefboomeffect van geleend geld, verkeerd gegokt hebben. Het bijna-bankroet van Long-Term Credit Management, een Amerikaans hedge fonds dat met vele tientallen miljarden dollars speculeerde, was de derde en misschien wel de hardste klap van slecht financieel nieuws in 1998. De Amerikaanse centrale bank greep in om grote particuliere banken tot een snelle reddingsoperatie te dwingen, anders zou het hele Amerikaanse financiële stelsel in elkaar zijn gestort.

Paul Volcker, oud-voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve en veteraan in de internationale monetaire wereld, waarschuwde deze week in Washington voor de gevaren van deze financiële drieslag. “De problemen die we op het ogenblik zien, zijn onderdeel van het systeem zelf, in de letterlijke zin dat ze voortkomen uit de normale werking van het wereldwijde financiële kapitalisme.” Met dertig jaar ervaring in monetair crisismanagement als centraal bankier zei hij: “Het verhaal is zo oud als het financiële kapitalisme zelf. Succes leidt tot vertrouwen en overmoed. Hebzucht wint het van voorzichtigheid.”

Volgens Volcker zijn er twee nieuwe elementen die de huidige crisis onderscheiden van die in het verleden. De elektronische communicatierevolutie en de onvoorstelbare hoeveelheid kapitaal die gemobiliseerd kan worden, maken een kwantitatief verschil. Het tweede element is van kwalitatieve aard: na de val van het communisme hebben vrijwel alle landen zich opengesteld voor het vrije marktkapitalisme. Het gevolg is dat landen met een onderontwikkelde, kleine, kwetsbare financiële sector blootgesteld zijn aan de krachten van het internationale kapitaalverkeer. “De hele banksector in een gemiddeld ontwikkelingsland heeft een omvang vergelijkbaar met die van één lokale bank in een voorstad van Washington. En daarvan zeggen we allemaal dat die met een grotere bank moet fuseren”, zegt Volcker.

Hij vervolgt: “Deze twee elementen - aan de ene kant enorme, beweeglijke kapitaalstromen en aan de andere kant kleine financiële markten - leveren de ingrediënten voor een nieuwe variant op een oud verhaal.”

De ingewikkeldheid, de snelheid en de kracht van de financiële crisis heeft academische economen met stomheid geslagen. De parmantige toon waarop nog niet zo lang geleden panklare oplossingen werden aangereikt, is verdwenen. Professor Jagdish Bhagwati van Columbia University dreef tijdens een van de vele bijeenkomsten deze week in Washington de spot met zijn eigen beroepsgroep.Zo nam hij Jeffrey Sachs op de korrel, de Harvard-econoom die het IMF het hardst bekritiseerd heeft wegens het opgelegde beleid van hoge rentes in de Aziatische crisislanden.

Bhagwati: “John Kenneth Galbraith zei eens over Milton Friedman wat ik tegen Sachs zou willen zeggen. Galbraith zei: 'Friedman heeft het voordeel dat zijn theorieën nooit zijn uitgeprobeerd.' Dat is ongelukkig genoeg niet langer waar, maar het was toen wel waar. De kritiek van Sachs in een zo complexe zaak heeft geen enkele zin, want we weten dat fine tuning in de macroeconomie niet werkt.” Om vervolgens nog een klap uit te delen. “Anders dan beleidsmakers worden economen nooit tegen de muur gezet. Niemand vraagt aan economen wat ze tien jaar geleden hebben beweerd.”

Over de liberalisering van het kapitaalverkeer is de verlegenheid bij economen minstens even groot. Bij het IMF heeft de roep om volledige liberalisering van kapitaalverkeer altijd het luidst geklonken, maar nu zijn nuanceringen hoorbaar. Chefeconoom van het IMF Michael Mussa: “Ik vergelijk liberalisering van het kapitaalverkeer graag met de manier waarop de mensheid gebruik maakt van vuur. We kunnen ons huis ermee verwarmen, ons eten mee koken en motoren mee laten draaien. Maar je kunt er ook grote schade mee aanrichten.”

Talrijke suggesties om het kapitaalverkeer enigszins aan banden te leggen gingen de afgelopen week in Washington over tafel. Zo zouden buitenlandse kredieten duurder gemaakt kunnen worden door de verplichte kasreserves bij de centrale bank of de risico-opslag te verhogen. Een van de voorstanders hiervan is Fed-topman Alan Greenspan. Maar Berkeley-hoogleraar Barry Eichengreen wees op het bezwaar dat niet-bancaire instellingen (zoals hedge fondsen) dergelijke voorschriften kunnen omzeilen. Volgens Eichengreen zou een belasting moeten worden geheven op alle inkomende kapitaalstromen, een variant op de jaren geleden door Nobelprijswinaar James Tobin bedachte Tobin tax.

Volgens Bhagwati moeten landen die nu beperkingen op het kapitaalverkeer hebben, door het IMF met rust worden gelaten. Maar landen met een volledig vrij kapitaalverkeer moeten, in elk geval op dit moment, volgens hem geen restricties doorvoeren, omdat het vertrouwen van de markten dan voor lange tijd weg is. “Het is zoals wanneer je bij de mafia weg wilt. Je gaat niet naar meneer Gambino om te zeggen dat je weggaat. Dan kom je er alleen in een doodskist uit.”

Chef-econoom van de Wereldbank Joseph Stiglitz herhaalde in Washington zijn betoog dat beperkingen op het kapitaalverkeer gerechtvaardigd kunnen zijn, omdat voor landen met een zwak banksysteem de maatschappelijke kosten van vrij kapitaalverkeer onaanvaardbaar hoog kunnen oplopen. Hij valt de 'intellectuele hypocrisie' aan om de negatieve gevolgen van vrij kapitaalverkeer niet aan de orde te stellen. “Je kunt niet beweren: de oorzaak van de crisis is het vrije kapitaalverkeer, we moeten de crisis aanpakken, maar we moeten het vrije kapitaalverkeer ontzien.”

Een groepje economen, bijna allemaal werkzaam of werkzaam geweest op MIT en Harvard, beheerst het debat. Eenvoudig gezegd kunnen hun standpunten in drie stromingen worden verdeeld: zij die de ongecontroleerde internationale kapitaalbewegingen als de bron van de crisis beschouwen, degenen die de tekortkomingen in het beleid van de getroffen landen als oorzaak aanwijzen en tenslotte zij die menen dat het om een cyclus van overinvesteringen gaat.

Hieruit vloeien uiteenlopende antwoorden op de aanpak van de crisis voort: aanpassing van het kapitaalverkeer, aanpassing van het binnenlandse beleid, of inkrimping van de productiecapaciteit. Voor iedereen is duidelijk dat de zwakte van de financiële sector in de crisislanden een sleutelrol heeft gespeeld.

Rudiger Dornbusch, hoogleraar aan het MIT, houdt het simpel: “Corrupte regeringen, corrupte lokale banken en een belachelijke overvloed aan internationale leningen.” In kapitaalcontroles ziet hij niets. “Kapitaalcontroles zijn in nazi-Duitsland uitgevonden om te voorkomen dat de joden hun geld naar het buitenland zouden brengen. Ze worden nu toegepast door premier Mahathir om te voorkomen dat de Chinezen hun geld uit Maleisië weghalen. Moet ik nog zeggen dat ik ze stompzinnig vind?”

Paul Krugman, eveneens MIT, baarde vorige maand opzien met de publicatie van een Plan B omdat de conventionele IMF-aanpak in zijn ogen niet heeft gewerkt. Hij pleit wel voor kapitaalcontroles. Volgens hem is sprake van een patroon van 'self-fulfilling' valutacrises. Zodra kapitaal uit een land wegstroomt, zijn overheden gedwongen een hoog rentebeleid te voeren waardoor de economische crisis verdiept en het kapitaal nóg sneller wegvlucht. Landen zijn het slachtoffer van hun eigen beleid. The confidence game, noemt hij dit. “Er zou wat meer begrip moeten zijn voor landen die experimenteren met alternatieven.”

Ondanks zijn kritiek op het IMF erkende Krugman deze week in Washington dat hij bij het uitbreken van de Aziatische crisis precies dezelfde maatregelen zou hebben doorgevoerd als het IMF. Krugman: “Dat is de tragedie. Het probleem is niet dat er slechte mensen aan het werk zijn bij het IMF, maar dat het om een tekortkoming van het systeem van vrije kapitaalbewegingen gaat.”

Van zijn kant erkent Stanley Fischer, de tweede man van het IMF, dat er dilemma's zitten aan het beleid van hoge rente, devaluaties en bezuinigingen. Toch is volgens hem een hoge rente, in de beginfase van een crisis, onvermijdelijk om totaal wegzakken van een munt, hyperinflatie en het onbetaalbaar worden van de buitenlandse schuld te voorkomen. Hij ziet vooral de oorzaken in de financiële sector van opkomende landen. “Een zwak banksysteem maakt een macro-economische crisis ernstiger - en veel moeilijker op te lossen. Het trieste nieuws is dat er geen oplossingen zijn. Diepe recessies zijn onvermijdelijk.” Zijn advies: saneer het banksysteem in goede tijden. Anderen voegen daar aan toe: laat sterke buitenlandse banken toe uit landen waar een traditie bestaat van goed toezicht op het bankwezen.

De eerder genoemde econoom Jeffrey Sachs ziet de oorzaak van de crisis in de onhoudbaarheid van vaste wisselkoersen. De Aziatische landen hadden vaste wisselkoersen ten opzichte van de dollar die ze moesten loslaten, hetzelfde dreigt in Brazilië. Munten kunnen slechts beschermd worden door exorbitant hoge rentetarieven en uiteindelijk is alle moeite meestal voor niets.

Een laatste opvatting is die van Clyde Prestowitz, Japan-kenner en zelfstandig economisch adviseur. Hij ziet de wortels van de crisis in de productiecapaciteit die de afgelopen jaren in Zuidoost-Azië is opgebouwd. Vooral Japanse ondernemingen, aangespoord door Japanse banken, hebben waanzinnig geïnvesteerd met als gevolg een reusachtige overcapaciteit in auto's, chips, staal en andere exportproducten. Maar toen de wisselkoersverhoudingen tussen de dollar, de yen en de locale munten verschoven, stortte deze export in. Kortlopende leningen vulden het gat, totdat dit zo groot werd dat het vertrouwen wegviel en het kaartenhuis ineen stortte.

De bankwereld heeft voorlopig genoeg aan zichzelf. De bijna-ondergang van Long-Term Capital Management heeft de bankiers in een staat van shock gebracht. Bij LTCM leenden gerenommeerde banken en zeer welgestelde investeerders in een lange keten geld aan elkaar, waardoor de uiteindelijke herkomst en bestemming in het duister bleef gehuld. Voorzitter Greenspan van de Federal Reserve noemde de interbancaire geldmarkt vorige week in een hoorzitting voor het Amerikaanse Congres “de achilleshiel” in de stabiliteit van het internationale financiële systeem. Een Amerikaanse senator sprak naar aanleiding van LTCM van “onze eigen vorm van crony-capitalism”.

Transparantie is nu het nieuwe parool voor de financiële sector, de toezichthouders en de internationale financiële instellingen. Maar Frank Newman van Bankers Trust maakte op een seminar duidelijk dat het gebruik van dit toverwoord gemakkelijk tot verkeerde conclusies leidt. “De oproep tot grotere transparantie geeft de indruk dat er informatie is die verborgen wordt gehouden. Maar in werkelijkheid is er helemaal geen informatie. We hebben geen idee van de geldstromen.”

Terwijl op wereldniveau volop over een 'nieuwe architectuur' voor het internationale financiële systeem wordt gesproken, proberen beleidsmakers in de getroffen landen de crisis de baas te worden. Zij opereren in iets wat zonder overdrijven een 'virtuele economie' kan worden genoemd. Een van hen is de Thaise minister van Financiën, Tarrin Nimmanahaeminda. Deze op Harvard opgeleide econoom deed in Thailand binnen twaalf maanden wat Japan in geen acht jaar is gelukt: een door bergen slechte leningen geruïneerd bankwezen hervormen, reanimeren en reguleren. “Als je daaraan begint, weet je niet wat de kip en het ei is”, zei Tarrin om de bijna onmogelijke uitdaging waarvoor hij stond te karakteriseren.

“Om uit het dal te komen, om geld te verdienen, moeten banken geld uitlenen. Maar dat doen ze niet uit angst voor slechte leningen. Hoe banger ze zijn voor slechte leningen, hoe minder ze verdienen, des te zwaarder die slechte leningen gaan wegen, en des te minder ze vervolgens geneigd zijn geld uit lenen.

“Een ander punt waarom de banken niet uitlenen: er zijn geen welvarende leners. Uiteindelijk ligt de economie in puin en zijn de banken dood.” Tarrins lessen voor Japan en andere landen: steek overheidsgeld in de banksector en stimuleer de binnenlandse vraag - schep dus welvarende leners.

De urgentie is duidelijk. Het gaat om de herinrichting van het internationale financiële systeem en tegelijkertijd om noodmaatregelen om te voorkomen dat het hele systeem instort.

Nog één keer Stiglitz: “Op het ogenblik hebben we geen architecten nodig, maar loodgieters.”