Duitsland kan niet om de wanordelijke wereld buiten de EU heen; Buitenlands beleid moet gestalte krijgen volgt

Na zijn bliksembezoek aan Frankrijk reist de aanstaande Duitse kanselier Gerhard Schröder vanavond samen met kandidaat-minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer naar Washington. Dat Duitsland een buitenlands beleid heeft, is volgens Christoph Bertram niet meer voldoende. Dat beleid moet nu eens gestalte krijgen.

Misschien was er een buitenstaander voor nodig om te zien hoe wereldvreemd het er in de Duitse verkiezingsstrijd aan toeging. John Vinocur, kritisch Duitsland-kenner en verslaggever van de International Herald Tribune, stond versteld: Rusland wankelt, Azië valt, de leidende westerse natie zit zonder leiding - en de Duitsers doen alsof het hun allemaal niets aangaat! Vinocurs verklaring voor dit verschijnsel was dat Helmut Kohl met zijn geslaagd buitenlands beleid zijn landgenoten zo in slaap heeft gesust dat zij niets meer merken van het tumult om hen heen.

Dat hadden de campagneleiders van de SPD goed begrepen: alles draaide om werkloosheid, uitkeringen en lonen. Het buitenlands beleid was voor Gerhard Schröder aanvankelijk niet meer dan een verplicht nummer, dat hij op de hem eigen, elegante, nuchtere wijze in Warschau, Straatsburg en Washington afhandelde. Steeds was zijn boodschap: geen experimenten. Een door hem geleide regering zou de buitenlandse politiek van Kohl voortzetten - niets minder dan dat, maar ook niets meer. Hooguit zou er aan de politieke stijl wat veranderen, zo lieten hij en zijn adviseurs doorschemeren: er zou zelfbewuster worden opgetreden. Verder werd de bondgenoten nog toegefluisterd dat zij van rood-groen niets te vrezen hadden: een minister van Buitenlandse Zaken Fischer zou onder Schröder niet komen. Zo werd de uitsluiting van een van de weinige Duitsers die werkelijk verstand hebben van de buitenlandse politiek, als het ware een garantie voor internationale betrouwbaarheid.

Nu hebben de kiezers beslist, en zij hebben de rood-groene coalitie een zo ruime meerderheid verschaft, dat Joschka Fischer toch nog als meest kansrijke kandidaat voor Buitenlandse Zaken geldt. Maar daarmee is het toekomstige buitenlandse beleid nog niet geformuleerd, en op niet één ander terrein van de politiek staan zoveel ernstige kwesties op de agenda van de nieuwe regering.In het eerste halfjaar van 1999 is Bonn voorzitter van de Europese Unie. Dat wordt deze keer geen routinekarwei. Integendeel: in de weinige maanden voor de nieuwe verkiezingen voor het Europese parlement moeten de pijlers voor de Unie van de toekomst worden neergezet: uitbreiding naar het oosten, de financiën en instellingen. In dezelfde periode valt het Duitse voorzitterschap van het Euro-Mediterraan Partnerschap. Ook dat is deze keer geen routineklus. Daar dreigt immers met de te verwachten proclamatie van een onafhankelijk Palestina in mei 1999 een nieuwe crisis in het Midden-Oosten, met transatlantische spanningen, wanneer de landen van de EU onder Duits voorzitterschap, in tegenstelling tot Amerika de nieuwe staat erkennen. In juni 1999 zal de nieuwe regering de G7/8-top van leidende geïndustrialiseerde landen organiseren. In normale omstandigheden zou dat neerkomen op een mediacircus. Gezien de barre toestand op de internationale financiële markten en de gevaren voor de wereldeconomie wordt echter deze keer van de 'grote zeven' verwacht dat zij reddingsboeien zullen uitwerpen om de wereld te stabiliseren - en van de voorzitter in Bonn, dat hij zeer binnenkort, lang voor de top, zelf de ideeën formuleert die als grondslag voor het gezamenlijk overleg zullen moeten dienen.

Daarmee is de lijst van knellende problemen nog niet compleet. Wat voor beleid moeten Duitsland en het Westen bijvoorbeeld in de toekomst voeren ten aanzien van Rusland, waar de hervormingen teloorgaan en het vooruitzicht op een spoedige consolidatie in de verte verdwijnt? Met de bekende riedel dat de hervormingen moeten worden ondersteund en dat Rusland trouwens een 'stabiliteitspartner' is, komen wij er niet meer. De relatie met Turkije, die al moeizaam genoeg is en die door enkele onhandige manoeuvres van de oude regering nog verder is verstoord, behoeft nieuwe perspectieven. Op de top ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de NAVO in april volgend jaar, moeten besluiten worden genomen over de toekomstige strategische taak van het bondgenootschap. Tevens zal dan moeten worden aangegeven hoe het met de uitbreidingsplannen gesteld is. Bij het leger stapelen de budgettaire, investerings- en personeelsproblemen zich zozeer op dat 'gewoon maar doorgaan' geen serieuze mogelijkheid is.

Nu zal ook de nieuwe regering niet alles meteen kunnen doen, laat staan meteen goed. In de intussen sterk geslonken kring van buitenlanddeskundigen van de SPD - de zwaargewicht Karsten Voigt ontbreekt in de nieuwe Bondsdag - is hierover ongetwijfeld nagedacht. Günter Verheugen, die bij Hans-Dietrich Genscher in de leer is geweest en die de buitenlandse materie eigenlijk als geen ander beheerst, is daardoor Schröders naaste raadsman geworden.

Als de crisis in Kosovo zich - naar te verwachten valt - verder toespitst, zou ook de nieuwe regering bereid zijn om desnoods zonder VN-mandaat Duitse gevechtsvliegtuigen ter beschikking te stellen, mits de partners niet achterblijven. Met betrekking tot de internationale financiële crisis wordt intensief gewerkt aan een gezamenlijk optreden met andere G7-partners. In verschillende netelige EU-kwesties, zoals de financiering van de agrarische markt, zal de nieuwe coalitie, die minder dan haar voorgangster op de stemmen van de boeren is aangewezen, zich flexibeler opstellen, zoals zij ook al heeft aangeduid. De euro ziet Gerhard Schröder niet meer als een kwakkelend couveusekindje, maar als een gezonde knaap, die het weldra tegen de dollar zal kunnen opnemen. “De 'eenzame supermacht' ”, zo heeft hij in Washington zelfbewust verklaard, “zal er uiteindelijk wel respect voor krijgen.”

Voor de problemen bij de strijdkrachten heeft de partij sedert lang het plan voor een defensiestructuurcommissie in petto. Wat Turkije betreft heeft Günter Verheugen laten weten dat een sociaal-democratische regering dat land zal helpen te voldoen aan de politieke en sociale voorwaarden en de eisen op het gebied van de mensenrechten die gesteld worden voor het lidmaatschap van de EU.

Gevoegd bij de toegezegde continuïteit is dat tenminste iets.Verder brengt in Duitsland, anders dan in Amerika, een nieuwe regering geen nieuw ambtenarenapparaat mee. En al heeft Kohl dan zestien jaar lang zijn stempel op het departement van de bondskanselier gedrukt, en Rühe en Kinkel hun stempel zes jaar lang op respectievelijk Defensie en Buitenlandse Zaken, de vaklui op de ministeries zullen als regel hun nieuwe heren net zo loyaal dienen als de oude. Op de hoogste posten zullen nieuwe gezichten verschijnen, maar niet al te veel.

Anders dan in het verre verleden, toen Helmut Kohl als bondskanselier aantrad en zich pas na verloop van tijd als meester van de buitenlandse politiek ontpopte, ontbreekt thans een duidelijke internationale orde. Ook toentertijd had men de mond vol van continuïteit, maar het kader stond toen tenminste vast. Maar waar kun je tegenwoordig eigenlijk nog spreken van continuïteit? Goed, in de Europese integratie natuurlijk, in de Atlantische gemeenschap en in de bevordering van een internationale orde op hechte grondslagen, dat spreekt voor het exportland Duitsland vanzelf. Maar er is ook nog de wanordelijke wereld buiten de EU en de NAVO, en daar kan Duitsland niet omheen. De contacten met die wereld kunnen allicht het best plaatsvinden in samenwerking met de relevante partners. Noch de EU noch de NAVO is trouwens autonoom: deze organisaties moeten worden gestuurd en geleid.

Die leiding wordt van het nieuwe kabinet evenzogoed verwacht als van het oude; waarschijnlijk zelfs meer, gezien de toestand van de Amerikaanse president, die voor de duur van zijn ambtstermijn aangeslagen zal blijven en die nu al met belangrijke internationale initiatieven strandt in het Congres. De regering-Schröder krijgt geen tijd om de buitenlandse betrekkingen op het droge te oefenen, maar wordt meteen in het diepe geworpen.

Wil zij daarbij een enigszins acceptabel figuur slaan, dan zal zij scherp moeten opletten dat haar buitenlandse partners de nadruk op het 'nieuwe Duitse zelfbewustzijn' niet verkeerd opvatten. Die uitdrukking heeft over de grens al menige wenkbrauw doen optrekken, vooral in Parijs. De opmerking van Schröder - toen nog kandidaat - dat in de Duits-Franse betrekkingen alles 'verder zou functioneren' zoals tot nog toe, had de gevoelige punten al aan het licht gebracht. Giscard d'Estaing, bepaald geen vriend van de partij, heeft dat gegispt als een 'banalisering' van de relatie. En Dominique Moïsi, de adjunct-directeur van het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen, heeft zich schertsend-bezorgd afgevraagd hoe het met Europa verder moet als straks twee landen zich zo gaan gedragen als Frankrijk tot dusverre als enige deed. En de Fransen zijn waarlijk niet de enigen die zich zo bezorgd uitlaten.

Nu zou iedere nieuwe ploeg in Bonn op dergelijk onbehagen stuiten. Het gewicht van de Bondsrepubliek in Europa en in de wereld is ál te groot, en ál te hardnekkig is de herinnering van de anderen aan het vroegere onvermogen van de Duitse natie om haar plaats in Europa te vinden. Het is Helmut Kohl snel gelukt, de vrees dat zijn generatie minder Europa-getrouw zou kunnen blijken dan haar voorgangster, te verdrijven. Nu doet zich met Schröder en Lafontaine opnieuw een generatiewisseling voor. Zien zij in, dat zij slechts dán geen wantrouwen wekken, wanneer zij des te vastberadener meebouwen aan het Europese huis?

De andere vraag die het 'nieuwe zelfbewustzijn' oproept, betreft het binnenland. Daar waart het begrip 'Duitse belangen' al enige tijd rond, meer en meer als vehikel voor de boodschap als zouden de vorige regeringen van de Bondsrepubliek, of ze nu rood-geel (SPD/FDP) waren of zwart-geel (CDU/CSU/FDP), de Duitse belangen hebben verwaarloosd en niet krachtig en stellig genoeg hebben gezorgd dat de Duitsers in geen geval tekortkwamen. Wanneer men de successen van de Duitse buitenlandse politiek sedert de jaren vijftig overziet, en vergelijkt met wat andere landen in dezelfde periode voor elkaar hebben gekregen, is dat klinkklare onzin.

Ten slotte is het heel goed denkbaar dat de jongere generatie het Atlantische bondgenootschap en de EU niet ervaart als een voor haar liggende taak, maar als een gegeven realiteit, waarvan zij zelf wil onderzoeken of deze strookt met de 'Duitse belangen'. Als het nationale zelfbewustzijn waarmee de nieuwe kanselier zo te koop loopt, voortkomt uit het vertrouwen dat hij zijn stempel op dit debat zal kunnen drukken, om ten slotte voor Europa te kiezen, dan is het goed. Maar hij begeeft zich daarmee wel op glad ijs.

Onder druk van de snelle veranderingen in de wereld staat in Duitsland een diepgaand debat over het toekomstig buitenlands beleid voor de deur. Die veranderingen beïnvloeden niet alleen de betrekkingen van de Bondsrepubliek met het buitenland, maar ook haar innerlijke cohesie. In de prikkel tot nadenken en debatteren over wat het land binnen de grenzen in de toekomst moet gaan verbinden met de wereld buiten de grenzen, ligt de beslissende uitdaging waarvoor de nieuwe ploeg zich bij het buitenlands beleid gesteld ziet. Of die ploeg dat ook begrepen heeft, is een vraag waarop velen in Europa en Duitsland het - geruststellende - antwoord afwachten.