In Brussel is het tijdperk-Mortier definitief voorbij

Voorstelling: Le nozze di Figaro door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Antonio Pappano. Gezien: 6/10 Muntschouwburg Brussel. Herhalingen t/m 31/10.

Pas zeven jaar na het vertrek van Gerard Mortier naar de Salzburger Festspiele lijkt bij de Nationale Opera in Brussel een definitief einde te zijn gekomen aan de era-Mortier (1981-1991), waarin de Brusselse Opera wereldfaam verwierf. Intendant Bernard Foccroulle presenteert met een nieuwe produktie van Le nozze di Figaro zijn eerste Mozart-opera op een libretto van Lorenzo da Ponte. En het was vooral met Mozart dat Mortier naam maakte, speciaal door de decors en ensceneringen van Karl-Ernst Herrmann.

Wat is het onderscheid tussen Mortier en Foccroulle? De nieuwe productie van de Duitse regisseur Christof Loy (36) is plezierig en geestig - in goede handen werkt Mozarts komedie over het zich verstoppen onder foulards, in kasten en achter sluiers nog altijd perfect. Het acteren is voorbeeldig, levendig en onderhoudend. Het zingen is uitstekend - Leontina Vaduva is een exemplarische Susanna, Lucio Gallo is een zeer temperamentvolle Figaro, Siole Isokosi is een tijdens de voorstelling hoorbaar opbloeiende gravin en Peter Mattei is een wat grove graaf. De begeleiding onder leiding van chef-dirigent Antonio Pappano is animerend met een combinatie van robuustheid en fijnzinnigheid. Het zijn alle kwaliteiten die ook onder Mortier voorkwamen.

Maar daar blijft het nu ook eigenlijk bij. De productie als geheel - de eenheid tussen dramaturgische analyse, de enscenering door de regisseur, het concept van het decor en de uitvoering van acteren en zingen - is bij Christof Loy en ontwerper Herbert Murauer veel minder prominent dan bij de Nozze die regisseur Willy Decker en ontwerper Achim Freyer veertien jaar geleden in Brussel lieten zien. Dat was een pracht-voorstelling met als hoogtepunt de aria Porgi amor, de klacht van de gravin over de liefdeloosheid van de graaf. Op haar bed waren kleren en lakens niet meer te onderscheiden - de gravin was één met haar niet langer gefrequenteerde echtelijke sponde.

Deze voorstelling lijkt daarvan welbewust zoveel mogelijk afstand te willen nemen en daar ook letterlijk visueel haaks op te willen staan. Freyer ontwierp destijds een symmetrische en geheel lichte ruimte - nu zien we een scheef gepositioneerde ruimte met donkerbruine dubbele deuren en lambrizeringen en een schuin oplopende vloer. Ook door een chaotisch plafond oogt deze vrijwel ongemeubileerde ruimte - of die nu de toekomstige kamer van Susanna en Fiagro, het boudoir van de gravin of een feestzaal voorstelt - als de morsige gribus van een studentenkamer.

De kostumering is die van de jaren vijftig van deze eeuw, wat erg wringt met de crux van het verhaal - de strijd tussen oude en nieuwe zeden in de tijd van de Verlichting. Loy, die kennelijk geen onderscheid kan maken tussen een nabij en een ver verleden, doet in zijn toelichting nodeloos ingewikkeld over de betekenis van dat verhaal, maar komt uiteindelijk uit bij iets wat iedereen al heel lang wist over het 'pre-revolutionaire' karakter van Le nozze, naar het verhaal van Beaumarchais, dat de Franse adel belachelijk maakte aan de vooravond van de guillotine.

Wie heenziet over al die overbodige visuele rommel - het operaverhaal behelst zelf al zo'n puinhoop - en denkt dat Loy zich uitsluitend voor de buitenwacht verplicht voelt tot analytische pretenties, ziet een fijne en aansprekende voorstelling, die bijna ouderwets aandoet. Misschien is het wel een typische overgangsvoorstelling en de aankondiging van een nieuwe era: het post-regisseurstheater. Maar voor mij blijft de Mortiertijd onvergetelijk.