Gemeente beslist zelf over woonwagens

DEN HAAG, 7 OKT. Provincies en gemeenten mogen zelf bepalen wat ze met de grote woonwagencentra doen. Voor het opheffen ervan krijgen ze niet langer automatisch geld van het rijk. Er zijn nog zeventien grote centra met meer dan veertig wagens. Begin jaren negentig besloot het kabinet grote centra op te delen in een aantal kleinere.

Staatssecretaris Remkes (Volkshuisvesting) heeft er mee ingestemd dat het woonwagencentrum in 's-Hertogenbosch mag blijven bestaan. Gemeente, provincie en bewoners hadden daar op aangedrongen. Remkes besloot daar onder andere toe omdat in het regeerakkoord geen geld is uitgetrokken om het laatste deel van het 'deconcentratiebeleid', uit te voeren. Dat was ingevoerd door het derde kabinet-Lubbers.

Remkes voorganger Tommel moest op aandringen van de Tweede Kamer op zoek naar de 170 miljoen gulden die nodig is voor de financiering van de opheffing van de laatste 17 grote centra. Dit geld is nodig om de bewoners in kleinere centra onder te brengen en voor het opruimen van het leeggekomen terrein. Ook dient het voor de overdracht van de wagens aan de woningcorporaties. Dit is nodig omdat volgend jaar de woonwagenwet verdwijnt en de woonwagens onder het regime van de woningcorporaties komen.

Omdat het geld er niet is wil Remkes provincies en gemeenten niet dwingen de grote centra op te heffen. Hij vindt bovendien dat het Rijk opheffing niet moet doorzetten als provincies en gemeenten, na overleg met de bewoners, het centrum willen te handhaven. Als ze echter besluiten het woonwagencentrum op te heffen zal Remkes per geval te bekijken hoeveel geld van het Rijk daarvoor dan nodig is, aldus zijn woordvoerder.

In de afgelopen jaren stuitte het opheffen van grote woonwagencentra meerdere malen op hevig verzet van bewoners. Bij het ontruimen van die kampen moest de politie herhaaldelijk geweld gebruiken.