Consumentensocialisme

Na de overwinning van de SPD zijn in dertien Europese landen de socialisten aan het bewind of zijn ze de machtigste partij in een coalitie, heeft The Economist uitgerekend.

Als we het op deze manier beschrijven lijkt het wel alsof het legendarische spook, na anderhalve eeuw door het werelddeel te hebben gewaard, zich eindelijk heeft gevestigd. Als Marx nog eens om de hoek kon kijken, zou hij eerder de indruk krijgen dat zijn spook verslagen is; vastgelopen tussen de schappen van de Europese supermarkt. Maar vergelijkingen tussen de maatschappij van nu en die van anderhalve eeuw geleden gaan niet op. Als de democratisch-socialistische partijen nu regeren, hebben ze dat te danken aan een lange reeks compromissen, waarbij ze erin zijn geslaagd, hun herkenbaarheid als massapartij min of meer links van het centrum te bewaren.

Wat nu met deze dertien Europese regeringen een plotseling succes zou kunnen lijken, is niet per revolutie uit de lucht gevallen, maar het resultaat van een proces van tientallen jaren. In ieder land is het anders verlopen. Het bewind van het nieuwe Britse Labour is in de plaats gekomen van een Conservatieve regering die op een verbruikte partij steunde. Tony Blair is met zijn vernieuwingen en zijn élan precies op tijd gekomen om de brave John Major te verslaan. Jospin heeft veel vernieuwingen beloofd, maar hij heeft zijn succes ook te danken aan de angst dat het met de uitgebreide verworvenheden van de verzorgingsstaat onder een centrum-rechts bewind gedaan zou zijn. Wat Schröder zal gaan doen is niemand volkomen duidelijk, maar zeker is dat ook Kohl versleten was. Het Europese succes van de socialisten is in menig opzicht ook te danken aan een toevallige samenloop van omstandigheden. En als we er Clinton nog bij willen halen: hij had het nooit tot zijn tweede termijn gebracht zonder zijn nog juist bijtijds luidruchtig beleden afkeer van alles wat voor liberal kan worden versleten (en zonder de metamorfose van de First Lady tot een vrouw die graag aan het fornuis stond om koekjes te bakken). Na kundige aanpassing heeft het toeval een handje geholpen, en wat dit aangaat heeft iedere socialistische partij haar eigen geschiedenis.

Maar in welke mate de regerende socialisten in Europa ook mogen verschillen, ze zijn aan het bewind gekomen of ze hebben zich met succes gehandhaafd in een periode van ongekende welvaart. En dan is er nog een overeenkomst. Grote linkse partijen, ook de democratisch-socialistische, waren behalve politieke organisaties ook bewegingen, met alles wat daartoe hoort: optochten, gezang, vlaggen, massabijeenkomsten, alles wat solidariteit zichtbaar en hoorbaar maakt. Congressen waren massale bijeenkomsten waarbij het hele land, partijgenoten en tegenstanders, zich betrokken voelden. In Nederland is de laatste socialistische optocht al jaren geleden om de hoek verdwenen. Ook in de grote Europese landen hebben de socialistische partijen zich verzakelijkt. Ze richten zich steeds minder tot grote groepen met een gemeenschappelijk lot; ze zijn ieder jaar meer de vertegenwoordigers van individuele kiezers met een gemeenschappelijk belang geworden. Als ze nu aan het bewind komen of hun macht in een regering consolideren, betekent dit dat een meerderheid vertrouwen heeft in hun politieke begeleiding van een groeiende economie. We kunnen respect hebben voor de oude socialistische idealen, maar het zegevierend socialisme van nu is eerder een consumenten-socialisme, een politieke verdediging van een consumentisme in plaats van het streven naar bepaalde maatschappelijke verhoudingen. En consumentisme is tenslotte een zaak van het individu, en onpolitiek.

Als het waar is dat de Europese socialisten zoveel van hun recente successen te danken hebben aan de economische groei, aan hun politieke begeleiding van de voorspoed, ligt er een vraag voor de hand. Hoe zou het gaan als de voorspoed verdwijnt? De leiders van het Westen willen de naties “de 21ste eeuw binnenleiden”, zoals Clinton het heeft uitgedrukt en na hem Blair en de anderen. Het smaakt naar een reclameleuze. Je bent geneigd te denken: ik leid mij zelf wel de 21ste eeuw binnen - maar dat is persoonlijk. De vraag is: welke 21ste eeuw? Die van de bloeiende jaren negentig, toen de bomen nog tot in de hemel groeiden? Of die van het afgelopen jaar, de dalende koersen, de economische crisis in Zuidoost-Azië, de politieke en economische crisis in Rusland, en de groeiende angst dat daaruit een mondiale recessie zal groeien?

De politieke scenario's waarmee centrum-links in Europa werkt zijn van een rooskleurig optimisme. Recessie, ook een kleine, betekent meer werkloosheid en in ieder geval een zwaardere belasting van de Europese verzorgingsstaten. Zoals groeiende welstand op den duur een depolitisering heeft veroorzaakt, zo mogen we verwachten dat een daling, zelfs een geringe, een nieuwe politisering tot gevolg zal hebben. Maar op welke manier? Zullen degenen die door een recessie worden getroffen zich tot de partijen van het nieuwe socialisme wenden, en zullen deze partijen zich dan weer terug-hervormen, of terugvallen op beproefde principes van een halve eeuw geleden? Het kiezersvolk is intussen revolutionair veranderd, misschien nog meer dan de partijen. Het is, om eens een oude term te gebruiken, politiek ongeschoold geworden. In een recessie zouden daarom links van het centrum twee andere grootheden elkaar moeten vinden: de massa der ongeschoolde kiezers zou een partij zoeken met een ander programma dan dat waaraan de Europese socialisten van nu hun succes te danken hebben. Het maken van een ontwerp voor zo'n programma is intussen ook een uitdaging van de 21ste eeuw geworden.