Bij een Haagse schoolfoto

Achtenvijftig jaar is ze geworden: Sonja Fortunette Witstein. Haar naam kwam ik tegen toen ik voor de Huijgensverzameling van het Haags Gemeentearchief haar proefschrift Funeraire poëzie in de Nederlandse renaissance verwierf. Maar net als de schrijver van haar levensbericht werd mij pas na haar dood duidelijk hoe beklemd zij was geraakt door de periode van de Duitse bezetting. Ze was ondergedoken geweest, maar de pijn was aanhoudend groot gebleven.

Opnieuw ontmoette ik haar in Gerard Durlachers' verhalenbundel Niet verstaan (1995). Hij beschrijft hoe Sonja, zorgzaam als een zuster, haar huisgenoot opvangt, een schuchtere Gerard die een studie medicijnen in Utrecht is begonnen. Hun huisvesting is gebrekkig, hij bewoont een kolenzolder. Zij weet haar belangstelling voor toneel en dans op deze gesloten knaap over te brengen. Trouw als ze is, wordt ze een regelmatige bezoekster als Durlacher in het ziekenhuis belandt.

Een kwart eeuw later zijn de rollen omgedraaid. Dagelijks breekt Durlacher zich uit zijn werk in Amsterdam om Sonja op te zoeken in het ziekenhuis in Alphen aan den Rijn. Ze heeft kanker; door het vergevorderd stadium kan ze soms nauwelijks meer reageren op zijn aanwezigheid. Op 11 juli 1978 sterft Sonja.

Voor datzelfde Gemeentearchief bezocht ik jaren lang wekelijks de rommelmarkt. Hoeveel meters boeken en tijdschriften redde ik niet van dat cultuurhistorische kerkhof, waar inboedels en keukeninventarissen, tabakspijpen, kleding, dia's en aangebroken pakken hondenvoer naast complete bibliotheken lagen. Romannetjes van Jeanne Reyneke van Stuwe, sportbladen, gedenkboeken van fokverenigingen, allemaal bouwstenen voor een meer verantwoorde geschiedschrijving van Den Haag. Soms was de koopman onoplettend geweest en had ik geluk: de regel is immers dat persoonlijke documenten uit een inboedel vernietigd worden.

En zo lagen daar zes albums vol foto's met bijschriften. Het levenswerk van een Haagse schoolmeester, gered van de verbrandingsoven. Ik herkende de eigenaar, Pieter Johan Kuipers (1892-1969), onderwijzer bij het openbaar onderwijs in Den Haag. Hij had telefonisch wel eens verteld over vroeger; een oude man, zeer lang van stof. Had hij niet meegeholpen om de revolutiepoging van 1918 in de kiem te smoren, had hij niet net op tijd munitie uit de in brand staande Oranjekazerne gekieperd en had hij de Haagse jeugd niet leren ijshockeyen? Meer vermaardheid had hij door zijn trekkersliedjes, zijn werk voor de padvinderij en door de revues die hij jaarlijks met zijn leerlingen van de school aan de Deventersestraat op Scheveningen in theater Seinpost opvoerde. En wie hem niet gekend heeft, vindt hem als de kwabbige meester in Hans Andreus' autobiografische novelle Uit het jeugdige leven van Melchior Blovoet (1986).

Naast de foto's staan rijtjes namen. Er zijn veel joodse namen bij. Dat donker joch, is dat niet Fryderyk Weinreb? Een andere foto stelt De Klepperklompjes voor, een groep leerlingen van een jaar of elf, alle verkleed voor de revue. Het zal dus omstreeks 1930 zijn. En bij die 26 namen staat in kinderlijk handschrift SON-JA WIT-STEIN.

Ook als je Durlachers Niet verstaan leest, voel je door alle woorden heen zijn angst en pijn. Kon je hem maar troosten. En dan bedenk je hem een afdruk te sturen van die foto met de Klepperklompjes. Je wilt hem het bewijs leveren dat Sonja ook een gelukkige, veilige tijd heeft gekend als enig kind van een handelsagent. Maar kán dat wel, is direct je bezwaar. Zou het effect niet averechts zijn? Als ik hem op het spoor van al die foto's van leeftijdsgenootjes als Sonja, Lolo Bartels en Ed Levy zou zetten, zou hij dan niet een diepe val maken? Hoe is het die kinderen vergaan? Ik stel de actie voorlopig uit. De albums gaan weer in de doos, Sonja en haar vriendjes blijven in mijn hoofd rondwaren en ik doe niets. En in juli 1996 kon ik niets meer doen, want toen stierf Durlacher.