BAROMETER

Europa loopt langzaam warm voor de euro. De Euro-barometer, de halfjaarlijkse graadmeter van de Europese Commissie, waarvoor Eurostat consumenten in de elf landen die meedoen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) vraagt of ze de komst van de euro steunen, staat sinds vorig jaar in de plus.

Voor die tijd was het aantal Europeanen dat aangaf positief tegenover de komst van de euro te staan stabiel op ongeveer 52 procent. Het aantal tegenstanders was jaar in jaar uit zo'n 37 procent. In de eerste helft van 1997 was er plots een kentering. Het economisch tij zat toen even tegen en dat had zijn weerslag op de Euro-barometer: nog maar 47 procent van de Europeanen toonde zich voorstander, 40 procent was tegen. Het verschil werd dus kleiner.

Nog voordat Europa de kans kreeg ongerust worden, was het oude niveau (51 procent voor, 37 procent tegen) in de tweede helft van '97 alweer bereikt.

Inmiddels kan de Europese Commissie weer rustig gaan slapen: sinds de Euro-top in mei van dit jaar, waarop de komst van de euro definitief bekrachtigd is, heeft de euro de wind mee. Van de inwoners van alle deelnemende landen is 60 procent voor en 28 procent tegen, een geruststellende meerderheid. De enige factor die nog roet in het eten zou kunnen gooien, is net als in 1997 het economisch tij. Wat gebeurt er met de acceptatie van de euro, als het de komende jaren wat minder gaat met de economie?

Niet dat de vorming van de EMU nog terug te draaien is, maar iedereen is het erover eens dat acceptatie bij consumenten - die nauwelijks te voorspellen is - doorslaggevend is voor het slagen van de euro-operatie, zeker in de beginfase. Niet voor niets is er zo veel heibel over het overgangsscenario: het is van vitaal belang dat de overgang van gulden naar euro voor de consument soepel verloopt.

De acceptatie van de euro ligt in Nederland beduidend hoger dan het Europese gemiddelde: 73 procent van alle Nederlanders is voor, 23 procent is tegen. Dat verschil heeft overigens een forse sprong voorwaarts gemaakt: een jaar geleden lagen de percentages nog op 57 en 37. Blijkbaar werpt de voorlichtingscampagne van het ministerie van Financiën ('De euro wordt van ons allemaal') dan toch zijn vruchten af.

Nederland komt, gerangschikt naar enthousiasme over de euro, met 73 procent op de derde plaats, na Italië (83 procent) en Luxemburg (79 procent). Duitsers (51 procent) en Portugezen (52 procent) zijn het minst enthousiast. Duitsland heeft overigens wel een omslag gemaakt ten voordele van de euro. Waren een jaar geleden de tegenstanders nog in de meerderheid (45 procent voor, 40 procent tegen), nu zijn de voorstanders in de meerderheid (51 procent voor, 36 procent tegen).

Vrouwen (56 procent voor, 30 procent tegen) blijken iets vaker tot de eurosceptici gerekend te mogen worden dan mannen (65 procent en 27 procent). Dat geldt ook voor ouderen, van wie 56 procent voor de euro is en 31 procent tegen. Europeanen onder de 55 jaar, inclusief jongeren, zijn positiever: 62 procent van hen is voor, 27 procent tegen.

Sociale achtergrond blijkt van grote invloed op de acceptatie van de euro. Twee op de drie ondernemers, leidinggevenden en andere 'witte boorden' zijn voorstander van de euro. Onder gepensioneerden, werklozen en fabrieksarbeiders is dat slechts iets meer dan de helft.

Opvallend: één op de drie Belgen en Fransen zegt de kans groot te achten dat hun land uiteindelijk toch niet zal meedoen aan de EMU. In Italië denkt zelfs 45 procent van de inwoners dat. Nederlanders zijn iets reëler: één op de vijf van hen gelooft nog dat de euro er nooit zal komen.

Eén op de tien Nederlanders weet overigens nog van niks en kan de naam van de nieuwe munt niet eens noemen. In Ierland geldt dat voor iets minder dan de helft van de bevolking. Fransen, Duitsers en Oostenrijkers zijn het best geïnformeerd: 95 procent kan de nieuwe munt bij naam noemen.