We zijn naar de donder, maar demonstreren? Nee

De lommerd is de laatste wijkplaats voor veel Russen. De Moskovieten die er hun spullen komen belenen zijn boos, maar revolutionairen zijn het niet.

MOSKOU, 6 OKT. “Crisis? Rusland is naar de donder!” De 40-jarige ingenieur Irina wijst op haar polsen, haar vingers, haar hals. “Waar denk je dat mijn sieraden zijn?” Dat is niet moeilijk te raden, want ze staat bij het afgifteloket van staatslommerd Taganka, met in haar hand een stapeltje roebelbiljetten.

Haar man Viktor, 52, leunt tegen de muur. “Ik wilde mijn trouwring laten omsmelten voor een gouden kroon, maar nu hebben we hem beleend. Tja, eten gaat boven een goed gebit, hè.” Beiden zijn ontslagen bij de ruimtevaartfabriek Chroenitsjev, en nu kankeren ze op de dochter van president Jeltsin, die een kasteeltje heeft gekocht in de Duitse Alpen.

Dus ze lopen morgen mee in de grote 'Weg-met-Jeltsin'-betoging? “Waarom zouden we?” reageert Irina giftig. “Denk je dat dat iets uithaalt? Het is absurd om iets van de staat te verwachten.” Viktor: “Wij houden kippen en verbouwen aardappels op een veldje buiten de stad. Als ze ons dat zouden afnemen, zou ik nog eerder gaan stelen dan protesteren.”

Er nemen morgen honderdduizenden Russen deel aan de door de communisten georganiseerde omloop van het volk. De spandoeken zijn geverfd, de draaiboeken doorgenomen en de ordetroepen staan paraat. Zeker, met een roebel die zijn waarde verliest en onbetaalbare worst in de winkels, hangt er spanning in de lucht.

Maar in de naargeestige pandjeshuizen van Moskou, die wel varen bij de malaise, heerst geen revolutionaire stemming. Het volk levert bontjassen in, schoenen, porselein, zilveren bestek, auto's - om grutten en macaroni te kunnen kopen. Lommerd Taganka met zijn getraliede ramen en zijn ziekenhuislucht lijkt een psychologisch laboratorium, ontworpen om de Verelendungstheorie van Marx te testen.

Op een prikbord hangen de voorwaarden van het spel: de tarieven voor edelmetalen, kristal, bont. En wat er niet als onderpand geaccepteerd wordt: wapens, vreemde valuta, medailles.

In rijen langs de wanden zitten de proefpersonen, jong en oud, verslonsd en piekfijn verzorgd. Tatjana bijvoorbeeld, met haar lipstick en rouge, die wegdroomt in een stukgelezen Elle. Ze werkt als hoofd van de schoonmaakdienst in een dependance van het Kremlin. Wat drijft haar naar de lommerd? “Ik probeer mijn gouden oorbellen en ringen terug te kopen, maar nu blijkt dat ik alleen geld heb voor de ringen.” Haar man is ontslagen en zelf verdient ze nog maar een schamele 900 roebel in de maand. Dat is zes tientjes. In de op twee na duurste stad ter wereld kun je daar een dag of drie, vier van leven.

Pagina 5: De straat opgaan? Dat is toch niets voor mij

En dan te bedenken dat ze een bedlegerige moeder heeft, een schoolgaand zoontje van twaalf, en een werkloze man. Nu ja, werkloos: hij klust wat bij in de bouw van datsja's voor de rijken. Nog een geluk dat hij de 300 roebel die hij daarmee verdient niet opzuipt! Zelf heeft Tatjana een tweede baantje als schoonmaakster. Al met al leeft haar gezin van vier van 1800 roebel, 120 gulden. Aan het eind van haar salaris blijft altijd nog een stukje maand over. “En dan ga ik naar de lommerd”, zegt ze met een glimlach.

Een goed systeem, vindt ze. Veel beter dan een bank, want die gaat voor je het weet failliet. Net zo onbetrouwbaar als de privé-pandjeshuizen, die van de ene op de andere dag de rolluiken neerlaten of astronomisch hoge rentetarieven vragen. Deze zomer is ze “waarschijnlijk voor de laatste keer” op vakantie geweest. Tatjana wil wel kwijt dat het leven onder Brezjnev “veel en veel beter was”. Maar de straat op gaan? “Ach, dat is toch niets voor mij”, zegt ze met een gilletje.

Wat zou je mensen als Tatjana nog meer moeten afpakken, voordat ze op zijn minst boos worden? Bestaat er in Rusland wel een kritische grens, die geen regering kan overschrijden zonder afgezet te worden? Misschien zijn de pandjeshuizen geen goede graadmeter. “Wij spreken liever van kassa's van wederzijdse hulp”, zegt Michael Oenksov, vice-voorzitter van de Liga van Lommerds. Hij stelt de opkomende bedrijfstak net als de Sovjet-kameraden die het verschijnsel nooit hebben verboden voor als een liefdadigheidsinstelling: “Wij nemen het goud van het volk tijdelijk in bewaring.”

Oenksov, een econometrist, zegt dat vijf procent van de Moskovieten kostbaarheden beleent. “Maar door de crisis trekt onze business aan, we verwachten dit jaar een verdubbeling van de omzet.” De honderd Moskouse lommerds maken volgens hem gemiddeld vijftig procent winst per jaar. Toch houdt hij vol dat het sociale instellingen zijn. “Wij zijn immers geen opkopers die de mensen het goud uit de zakken kloppen?”

Hij doelt op 'aasgieren' als Joeri, die de bezoekers van staatslommerd Taganka aanklampt met de mededeling: “U kunt uw goud ook aan mij verkopen.” Uit zijn schoudertas haalt hij een elektronisch weegschaaltje. Zijn baas is alleen geïnteresseerd in goud, en dagelijks koopt Joeri twintig tot dertig gram op. Hij geeft toe dat dit werk gevaarlijk is, want mocht zijn patroon het vermoeden krijgen dat hij niet alles afdraagt, dan is hij vogelvrij. “Maar daar staat tegenover dat ik hier de enige ben. Dat ik bescherming geniet. Zie je hier soms concurrenten?”

Aasgieren als de 31-jarige Joeri, het zichtbare uiteinde van de lange arm van de mafia, tref je bij de commerciële lommerds niet aan, want die zijn zelf in handen van de onderwereld. Het kantoortje van de keten 'Uw lommerd' in de kelder van een flatgebouw schuin tegenover het pandjeshuis van de staat, wordt bewaakt door twee besnorde mannen met kogelvrije vesten en machinegeweren. De vice-voorzitter van de Liga van Lommerds, Oenksov, heeft hier een aandeel in. “We hebben negen filialen en staan op het punt om er nog vier te openen.”

Wat denkt hij: zou er zonder de lommerds een uitbarsting van volkswoede komen? “Welnee. Russen worden niet eens kwaad als ze hun spaargeld op de bank verliezen. Waarom zouden ze dan boos worden als op een dag de pandjeshuizen dicht gingen?” Misschien omdat daar de armsten komen? “Maar die kunnen toch altijd nog aardappels gaan verbouwen?”