Politici hebben niets geleerd van Srebrenica

Bij de besluitvorming over de uitzending van een Nederlands bataljon naar Srebrenica is indertijd veel misgegaan. Getuige de oproepen vanuit de politiek voor een militair ingrijpen in Kosovo, is de les van Srebrenica niet geleerd, meent J. Schaberg. Er moet meer naar de militairen worden geluisterd.

In de discussie of er nu al of niet een parlementaire enquête over Srebrenica moet komen valt regelmatig het modieuze woord 'waarheidsvinding'. Dat nu is zeer betrekkelijk. De feiten komen misschien wel boven tafel, maar niet het veel belangrijkere waarom? Wat zat er bijvoorbeeld in de achterhoofden van belangrijke spelers, zoals generaal Janvier, bij het nemen van hun beslissingen? Welke nationale belangen speelden hierbij mee? Dat is toch de kern van de problematiek waarin Nederland verzeild raakte.

Het RIOD heeft hier meer kans van slagen om tot een wetenschappelijk verantwoorde verklaring te komen dan het botte instrument van een parlementaire enquête. Wat is het nut van de waarheidsvinding? Kamerlid Zijlstra van de PvdA toonde zich voorstander van een enquête omdat de Kamer dan haar eigen rol kritisch zou moeten onderzoeken. Dat is op zich een moedig en juist standpunt, maar heb je daar een parlementaire enquête voor nodig? Ook het RIOD onderzoekt dit toch?

Dat de parlementaire besluitvorming over de uitzending van het bataljon naar Srebrenica veel te wensen overliet, wordt inmiddels algemeen erkend. De lessen daaruit zijn echter niet getrokken. In plaats van een parlementaire enquête zou een werkgroep uit de Kamer zich moeten buigen over de verbetering van de besluitvorming. Het gaat er vooral om dat Kamerleden, zijnde geen militaire deskundigen, beseffen wat ze besluiten, wat de risico's zijn en wat de consequenties kunnen zijn. Bij Srebrenica was dat niet zo. Dat de Kamer fouten maakte is verklaarbaar, er was geen enkele ervaring. Veertig jaar waren we gewend aan de strakke NAVO-besluitvorming in het Oost-West-conflict, de rol van de Kamer was marginaal. Nu, bij de crisisbeheersingsoperaties aan de randen van Europa, is er veel meer eigen beslissingsruimte. Neem het hypothetische geval dat de NAVO met grondtroepen in Kosovo wil ingrijpen, weet de Kamer dan de juiste vragen te stellen om tot een verantwoorde beslissing te komen? Ik vrees van niet.

De bevelhebber is degene die voor zijn krijgsmachtdeel beoordeelt wat de mogelijkheden en de risico's zijn bij de verschillende militaire operaties. Als hoogste commandant is hij verantwoordelijk voor zijn personeel en het personeel kan hem daarop aanspreken. Het personeel kan gegeven opdrachten niet weigeren. Elke militair mag dan ook verwachten dat de bevelhebber het krijgsmachtdeel zo stuurt dat optimale overlevingskans, vrijwaring van aansprakelijkheid en rechtsbescherming bij de taakuitoefeningen zijn gegarandeerd. Weliswaar heeft de chef defensiestaf bij lopende crisisbeheersingsoperaties ook een taak, maar dat ontlast de bevelhebber niet. Alleen al om die reden moeten de bevelhebbers en de chef defensiestaf een prominente plaats hebben bij de besluitvorming tot militaire inzet van Nederlandse eenheden. Het zal ook voor het personeel een geruststelling zijn te weten dat hun belangen deskundig meegewogen zijn.

Het gaat om de afweging van militaire mogelijkheden en risico's tegen politieke wenselijkheden. Die afweging dient achtereenvolgens plaats te vinden op het ministerie van Defensie, in het kabinet en in de Kamer. Nooit kan een militair advies bij het doorschuiven naar het volgende niveau ondergeschoffeld worden. Het militaire advies kan bij afweging van belangen door de minister terzijde worden geschoven, maar het zal vervolgens in het kabinet in de Kamer wel weer op tafel moeten liggen. De bevelhebber en de chef defensiestaf zullen hun standpunt duidelijk moeten formuleren, uiteraard tegen de achtergrond van de politieke realiteit. Achteraf mag daar nooit misverstand over ontstaan, zoals in de nasleep van Srebrenica. Zo'n gang van zaken mag niet leiden tot het steeds afwijzen van operaties op grond van de risico's. Er moet ook gezocht worden naar politieke doelstellingen waarbij militaire inzet wel ondersteunend en zinvol kan zijn.

De chef defensiestaf en de bevelhebber moeten bij het kabinetsberaad aanwezig zijn en daar hun standpunten toelichten. Hetzelfde geldt voor het overleg met de Kamer. Het zou goed zijn als de Kamerleden zich met behulp van ter beschikking gestelde militaire deskundigen, op zo'n debat zouden kunnen voorbereiden. Een dergelijke procedure zou ook de behoefte van hoge militairen om via de pers de publieke aandacht te vragen verminderen. Gezien de specifieke verantwoordelijkhden van de bevelhebbers moet deze weg echter niet geheel worden afgesloten.

Bij onze bondgenoten met een grote militaire traditie doet men daar heel wat gemakkelijker over. Om maar bij de Balkan te blijven: in de tweede helft van 1992 werd bij de Amerikaanse bevolking en de pers de roep om militair ingrijpen in Bosnië sterker. De regering was verdeeld. Op 8 oktober 1992 mengde de hoogste militair, generaal Colin Powell, zich in het openbare debat. Op de opiniepagina van de New York Times verscheen een artikel van hem onder de titel 'Why generals get nervous'. Het Amerikaanse beleid voor Bosnië is nog onduidelijk en militair ingrijpen kan tot een ramp leiden, zo schreef Powell. Alleen als er een duidelijk doel is bij een militaire operatie, kan succes worden geboekt. “Wij hebben deze les uit de geschiedenis geleerd”, zo eindigde hij, “ook al hebben sommige journalisten dat niet.”

Alle uitspraken over Kosovo horende, hebben veel Nederlandse politici die les ook nog niet geleerd.