Hans Vonk betoont zich een techneut in Bruckners Negende

Concert: St. Louis Symphony Orchestra o.l.v. Hans Vonk. M.m.v. Midori, viool. Werken van Sibelius en Bruckner. Gehoord: 5/10, Concertgebouw Amsterdam.

De serie heet Grote Solisten, maar menigeen zal maandag naar Amsterdam zijn getogen om er in het Concertgebouw kennis te maken met Hans Vonk en 'zijn' Saint Louis Symphony Orchestra. In 1996 werd de nu 56-jarige Vonk als opvolger van Leonard Slatkin benoemd tot chefdirigent van dit op één na oudste orkest in Amerika. Het is het voorlopige hoogtepunt in een carrière die gaandeweg tot de verbeelding is gaan spreken.

In de jaren zestig was Vonk dirigent van het Nederlands Balletorkest totdat hij door Haitink werd beroepen als assistent bij het Concertgebouworkest. Vonk kreeg daarna de leiding over het Radio Filharmonisch Orkest, werd chefdirigent van de Nederlandse Opera Stichting, was even 'associate conductor' bij het Royal Philharmonic Orchestra in Londen, was chefdirigent van het Residentieorkest, was 'Musikdirektor' van de Dresdner Staatskapelle en werd in 1991 chefdirigent van het symfonieorkest van de WDR. Ook valt hem de eer te beurt de eerste Nederlander te zijn geweest die in de Milanese Scala een serie operavoorstellingen leidde.

De kennismaking met Hans Vonk en zijn Saint Louis Symphony Orchestra leverde echter een wat katterig gevoel op. Dat lag in de eerste plaats aan de Grote Solist: het 27-jarige, van oorsprong Japanse vioolwonderkind Midori. De communicatie tussen solist en dirigent wilde in het Vioolconcert van Sibelius maar niet op gang komen. Midori's spel - warmbloedig van toon en gebracht met een improvisatoire frisheid - contrasteerde aanvankelijk sterk met het afgeroomde geluid dat het orkest voortbracht. Maar steeds meer bleek dat Midori's aanpak feitelijk een hulpeloos tasten was, in traag trekkende tempi en met een bedenkelijke intonatie.

Vonk greep na de pauze de Negende symfonie van Bruckner aan om zich te revancheren, al deed hij dat slechts ten dele. Nu had Vonk vooraf enig kruit onder zijn interpretatie gelegd door enkele weken geleden met de nodige ophef en psychologische druk een uitvoering die het Gelders Orkest onder Lawrence Renes wilde geven van Bruckners Negende (in een voltooide versie) te saboteren. Hij had het werk kort daarvoor zelf bij het gezelschap gedirigeerd en vond dat de nieuwe uitvoering nog te veel zijn stempel zou dragen, en dit bovendien de uitvoering door het Saint Louis Symphony Orchestra concurrentie zou aan doen.

Je snapt niet waar de man zich druk over heeft gemaakt. Het Amerikaanse orkest is natuurlijk in klank, kleur en kunnen superieur aan het Arnhemse. In de eerste twee delen schoof Vonk als een bevlogen techneut alle motivische radertjes van deze symfonie middels een goed doordacht bouwplan ineen tot een stomende machinerie. Binnen de mogelijkheden van het orkest leek Vonk de perfectie dicht te benaderen.

En toch bleef Vonk misschien wel te veel de techneut. Er was weinig 'misterioso' te bekennen in de achttien maten strijkers-tremolo waarmee de symfonie begint. Weinig dreiging ook in het stampende Scherzo. En als dan de perfectie het even laat afweten, zoals in het besluitende Adagio, waar de strijkers een octaafsprong net niet haalden en de wagnertuba's in de lage akkoorden slecht stemden, dan is ook het laatste restje betovering snel gebroken.