Deelnemers aan biënnale van Berlijn bieden kunst om bij te fantaseren; Kijken naar trams door enorm zuurstokpapiertje

Tentoonstelling: Berlin Biennale, met meer dan zeventig kunstenaars. Op drie locaties: Postfuhramt, hoek Oranienburgerstraßsse/Tucholskystraßsse; Kunst-Werke, Auguststrasse 69 en Akademie der Kunste, Pariser Platz 4. Di t/m do 10-20u, vr en za 12-24u, zo 12-20u. Cat. 39 Dmark. T/m 3 januari.

De foto is vier bij zes meter groot en bijna helemaal grijs. Voor meer dan de helft wordt hij gevuld door het deksel van een rioolput, verder is er asfalt en vuil: vastgekoekte stukken kauwgom, verfspatten, kruimels - en een ratje, dat zijn kontje parmantig uit een van de gaten in het deksel steekt. Uit het achterwerk priemt een staart die iets van een cocktailprikker heeft; het beestje zelf heeft zich schrap gezet om niet in het gat te vallen. Wat de rat ziet blijft verborgen voor de toeschouwer, maar het is niet moeilijk om er van alles bij te fantaseren. Onmetelijke hoeveelheden drek en drab doemen op voor het geestesoog en daarmee zowaar enig mededogen met de rat. Het lot van de rioolput wens je zelfs zo'n beest niet toe.

Rat disappearing van de Duitse kunstenaar Wolfgang Tillmans is een van de vele foto's op de Berlin Biennale, een nieuwe, tweejaarlijkse tentoonstelling van hedendaagse kunst in Berlijn. Ook de Amerikaanse kunstenaar Stan Douglas komt er met foto's, net als de Nederlandse Rineke Dijkstra, de Noorse Vibeke Tandberg en de Mexicaan Gabriel Orozco - allemaal jonge, veelgeprezen kunstenaars wier werk al enkele jaren over de hele wereld te zien is. Ze worden daarom wel airport-artists genoemd: kunstenaars die zo populair zijn dat ze continu van tentoonstelling naar tentoonstelling kunnen vliegen. Het feit dat juist zulke relatief bekende kunstenaars (waaronder ook Douglas Gordon, Fabrice Hybert, Carsten Höller, Marijke van Warmerdam en Rirkrit Tiravanija) voor de Berlin Biennale zijn uitgenodigd, zegt dan ook veel over de ambities van de manifestatie. Deze biënnale wil modern zijn maar niet grensverleggend, prikkelend maar niet shockerend - daarvoor is de stad nog te druk bezig een eigen plek op de culturele kaart te vinden.

Wat er ondertussen opvalt aan de foto's van Tillmans en Orozco cum suis is dat ze zo enorm op elkaar lijken. Allemaal zijn ze in kleur (zwart-wit is bijna taboe voor moderne kunstenaars), allemaal zijn ze technisch perfect uitgevoerd en allemaal gebruiken ze die perfectie in de eerste plaats om de toeschouwer aan het twijfelen te brengen: 'dit mag dan de werkelijkheid lijken', vragen al deze foto's, 'maar is het dat eigenlijk wel?' Je ziet het in de portretten die Rineke Dijkstra maakte van bezoekers van de Berlijnse Tiergarten. Prachtig uitgelicht zijn deze mensen tegen het diepgroene park, maar hoe komen ze aan die onwezenlijke blik in hun ogen? En neem de foto's die Stan Douglas maakte in Detroit. Die zien er tamelijk normaal uit, maar waarom is er, ondanks daglicht, zelden een mens op te zien?

Door zulke vragen zijn de foto's exemplarisch voor de kunst die er op de Berlin Biennale wordt geëxposeerd. Het is kunst die niet erg geïnteresseerd is in concepten of theorieën, maar die de toeschouwer, tamelijk vrijblijvend soms, alternatieve manieren van kijken biedt. Kunst om bij te fantaseren is het, toegankelijk, en als toeschouwer heb je daardoor soms het gevoel dat je het zelf ook wel had kunnen bedenken, wat bij de mindere werken vast ook het geval is. Neem het 'beeld' van de Italiaanse Monica Bonvicini, die een gat in de muur van Kunst-Werke hakte en daar een glasplaat inzette, waardoor de kunstliefhebber vanuit het museum een blik kan werpen op arbeiders op een bouwplaats. Of neem de glijbaan die de Duitse kunstenaar Carsten Höller in hetzelfde museum installeerde - de Spaanse Alicia Framis deed hetzelfde een paar jaar geleden al in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Maar veel vaker zaaien de werken op deze biënnale twijfel, of word je verbaasd, of meegesleept in een sfeer, terwijl de schijnbare eenvoud toch weerstand oproept.

Het sterkst geldt dat voor de installatie So much water, so close to home van de Zwitserse kunstenaar Ugo Rondinone. Net als Bonvicini bewerkte hij een raam: hij zette er een groenhouten kozijn in en plakte felrood plastic, als een enorm zuurtjespapiertje, in het gat. De hoek Oranienburgerstraßsse/Tucholskystraßsse wordt zo in een rode waas gehuld: de trams, auto's, de voorbijgangers, allemaal verkeren ze in een zomerse gloed. Maar daar laat Rondinone het niet bij. Uit luidsprekers in de ruimte klinkt er een Lou Reed-achtige stem, die op droge gitaarklanken de zin 'Everyday's sunshine' herhaalt; op drie televisieschermen loopt een man voorbij en kruipt een vrouw in een hoekje. Er hing een diep gevoel van melancholie in de ruimte.

Van een andere orde is Ventilator van de Deense kunstenaar Olafur Eliasson. In de oude koepel van het Postfuhramt hing hij, als een alternatieve slinger van Foucault, een draaiende ventilator in een ronde aluminium kooi aan een lange draad. Door de turbulentie die de ventialtor veroorzaakt, zwiept het ding zichzelf door de ruimte, hard en zacht, af en toe vervaarlijk dicht langs het hoofd van een toeschouwer maaiend. Een simpel werk is het, dat nergens over gaat, maar er was geen toeschouwer die het onberoerd leek te laten.

Ondertussen wordt in Berlijn ook zichtbaar dat kunstenaars zich steeds vaker proberen te bekommeren om hun toeschouwers. Dat doen ze niet alleen door vermaak te bieden, maar ook door in levenden lijve aanwezig te zijn (de jonge Amerikaan Jonathan Meese bijvoorbeeld, die als een jonge variant op de hippie Neil uit the Young Ones rondhing en met toeschouwers praatte in zijn nagebouwde jongenskamer) of door praktische veranderingen in de wereld te presenteren. Sean Snyder komt bijvoorbeeld met een plan voor een alternatief communicatiecentrum boven de Alexanderplatz en de architect Jan Liesegang exposeert ontwerpen voor alternatieve woningen.

Al deze bijdragen komen samen in het werk van de jonge Duitse kunstenaar John Bock - zonder concurentie het vreemdste van deze Biennale. In twee kamers van het oude Postfuhramt legde Bock op een meter hoogte een alternatieve vloer met daarin wat gaten. Er stijgt een zware hooilucht uit op en om sommige zijn vreemde bouwsels neergezet: een trui die over een gat is gespannen, een merkwaardige installatie met emmers en wipjes, een cassetterecorder met gebreide frutsels. Op een video wordt duidelijk wat er aan de hand is. Bock leeft onder het vloertje en duikt af en toe op om via een van de objecten een teken van bestaan te geven. De kijker wordt daardoor met een mysterie geconfronteerd. Terwijl hij in gebogen houding over het vloertje schuifelt weet hij dat de kunsatenaar hem in zijn macht heeft: Bock kan ieder moment opduiken om een apparaat aan te zetten of de toeschouwer bij zijn been te grijpen. Daarmee is de toeschouwer overgeleverd aan een onzichtbare kunstenaar; hij kan alleen maar hopen dat die hem goed gezind is.