De teloorgang van het gezond verstand

Dit zijn geen tijden voor zelfingenomenheid. Recente onheilsprofetieën over de Westerse beschaving zijn waarschijnlijk opnieuw onjuist, zoals ze in het verleden al zo vaak zijn geweest. Maar we moeten er zelf voor zorgen dat ze niet bewaarheid worden. Geen samenleving is ooit zo paradijselijk geweest dat ze géén gevaren kende. Het zou dus dwaasheid zijn te denken dat we thans in zo'n paradijs leven. Zo mogen we niet onze schouders ophalen over de indruk die veel krantenlezers hebben - en die de afgelopen tien maanden is versterkt - dat de elites die over ons lot beschikken niet goed weten wat ze doen.

De collectieve visie van de mens is tamelijk troebel vergeleken bij de tijd waarin de Koude Oorlog de politieke zekerheden bepaalde. Maar er valt vrij duidelijk een wijdverbreid besef aan te wijzen dat we iets waardevols dreigen kwijt te raken. We mogen daar niet voor terugschrikken. Het is politiek verstandig onze vijanden te onderkennen; ons gevoel tekort te komen rechtvaardigt dat.

De mens wordt dezer dagen niet bedreigd door revolutionaire dogma's die grootscheeps bloedvergieten moeten rechtvaardigen. Onze vijand is een andere dan die welke onze politieke beschaving gedurende het grootste deel van de nu aflopende eeuw heeft ondermijnd. Natuurlijk vormen gemakkelijk verkrijgbare nucleaire, chemische of biologische massavernietigingswapens in de handen van fanatieke, revanchistische groeperingen, een potentiële bedreiging.

Ook kan de ernstige economische ontwrichting her en der in de wereld leiden tot militair avonturisme dat de inhoud van de voorpagina's drastisch zou kunnen wijzigen. Maar in ons midden ontwaar ik een minder tastbare dreiging die enerzijds schadelijker kan zijn, maar waartegen u en ik anderzijds zelf wel iets kunnen ondernemen.

Onze tegenstander is zeker geen product van boze opzet. Integendeel, hij is het gevolg van de wens om goed te doen. Hij is pretentieloos, gaat gekleed in een zakelijk pak. Hij dankt zijn bestaan, ironisch genoeg, aan sociale organisatiemethoden die wijd en zijd als rationeel gelden. In laatste instantie zouden we kunnen zeggen dat onze vijand een product is van het maar al te menselijke verlangen naar zekerheid.

We zijn het erover eens dat er een nauw verband dient te bestaan tussen intentie en gevolg van ons handelen. Maar de mensheid is onbedoeld bezig de controle over dit verband te verliezen, juist ten gevolge van velerlei afzonderlijke pogingen om beter geordende en veiliger politieke, sociale en economische omstandigheden te scheppen.

Om onze vijand een naam te geven beschikken we over de oude begrippen 'bureaucratisering' en de meer verfijndere vorm van gebureaucratiseerd bestuur, 'technocratie'. U kent ze van nabij. U herkent bureaucratisering in de gedaanteverwisseling die een organisatie ondergaat wanneer ze een omvang bereikt waarbij ze zich niet meer laat besturen door hen die zich haar oorspronkelijke doelstellingen herinneren. En u hebt allen gemerkt dat bureaucratisering ons oordeelsvermogen aantast, omdat optreden op grond van regelgeving de plaats inneemt van het handelen uit persoonlijk begrip van de complexe situaties die zich kunnen voordoen.

De meeste mensen zullen het bijvoeglijk naamwoord 'bureaucratisch' vooral associëren met 'bestuur door overheden'. Overheidsbureaucratieën zijn niet geliefd, omdat ze de mensen met wie ze omgaan wel móeten behandelen als onpersoonlijke 'gevallen' en niet als individuen. Maar van overheidsbureaucratieën valt eigenlijk weinig te vrezen; althans niet in een democratie waar druk vanuit de samenleving hen flexibel houdt en waar ze verantwoording moeten afleggen tegenover de burgerij.

De ironie wil dat onze tegenstander veel meer armslag heeft gekregen dank zij een diep geworteld anti-bureaucratisch sentiment dat zich over de geïndustrialiseerde wereld heeft verspreid in het kielzog van theorieën over economische regelgeving à la Reagan-Thatcher.

De traditie van geromantiseerd individualisme in de Verenigde Staten helpt een beeldtaal in stand houden van bemoeizieke regelgevers die het ondernemende mensen moeilijk maken. Een beeldtaal waarin de staat een vampier is die bedrijven en huishoudens het bloed uitzuigt, symboliseert de hysterische reactie tegen de staat die onder meer kon ontstaan doordat mensen een heel belangrijk gegeven uit het oog zijn verloren, namelijk dat je geen democratie kunt hebben zonder een staat.

De staat kan ons als enige beschermen tegen de nukken en vooroordelen van een samenleving. Een simplistisch pleidooi voor een 'terugtredende overheid' gaat voorbij aan de veel dreigender gevolgen van ongereguleerde bedrijfsbureaucratieën.

Onze eigenlijke vijand is de bureaucratisering van de reusachtige oligopoliën die de zogeheten 'particuliere sector' vormen. Zonder bureaucratie zou maatschappelijke orde ver te zoeken zijn. Maar als we spreken van bureaucratisering, bedoelen we een doorgeschoten bureaucratie. Door de toegenomen macht van bedrijfsbureaucratieën beginnen corporatieve normen, voortkomend uit strikt opportunistische overwegingen, geleidelijk door te dringen in de samenleving als geheel. Ze nemen de plaats in van ethische en maatschappelijke beginselen die vroeger voor sociale samenhang zorgden. Dit soort normen krijgt de schijn van onontkoombaarheid waar het leven van de meeste mensen in toenemende mate wordt beoordeeld en beschouwd in relatie tot grote organisaties.

Maar waarom zouden we ons daar juist nu over opwinden? De voortschrijdende bureaucratisering hield een eeuw geleden ook al denkers als Friedrich Nietzsche en de grondlegger van de moderne sociologie Max Weber bezig. Welnu, onze vijand is complexer. De geavanceerde bureaucratie is versmolten met een ander sociaal verschijnsel dat ook al lang bestaat en waarvoor veel gewaarschuwd wordt: de steeds verder voortschrijdende commercialisering van de samenleving.

Door een commercialisering die zelfs onze diepste beleving en meest gekoesterde instituties trivialiseert door ze tot handelswaar te maken, krijgt de bureaucratisering een extra venijnig karakter. Het lijkt wel of we zijn overgeleverd aan een proces dat pas kan stoppen wanneer letterlijk alles te koop is - de ultieme vermaterialisering van het leven.

Bureaucratisering en vermaterialisering liggen in één lijn: een sterk vermaterialiseerde samenleving is sterk gebureaucatiseerd. Het één drijft op de mode als richtlijn voor het gedrag, het ander op formules. Tegenstanders van vermaterialisering worden als slaapverwekkend ervaren: hun waarschuwingen zijn sinds jaar en dag irritante cliché's en ze zetten niet aan tot actie.

Immers, wie de wezenloze massacultuur die hieruit voortvloeit niet aanstaat, kan die cultuur negeren. Maar de laatste tijd heeft de vermaterialisering zich diep in de maatschappelijke structuren ingevreten als gevolg van de omvang die de bedrijfsbureaucratische macht haar verleent. Denkt u aan de weinige kolossale ondernemingen die de dienst uitmaken in de amusementsindustrie, en aan de recente concentraties in de uitgeverswereld.

Wat dit tweeledige verschijnsel zo gevaarlijk maakt is dat het in zijn totaliteit door niemand gecontroleerd wordt. Het bevordert dat we vergeten waarom wij dingen doen. Naarmate het meer sociaal territorium verovert, nemen formalistische procedures de plaats in van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid in het menselijk verkeer.

Door elkaar over en weer te versterken hebben bureaucratisering en vermaterialisering verdere uitwassen doen ontstaan: nieuwe verschijnselen zoals de 'McDonaldisering van de samenleving' om een term van een eigenzinnige Amerikaanse socioloog te hanteren. Deze uitwas in het bijzonder maakt de kleine dingen van het leven voorspelbaar door de potentiële rijkdom aan ervaringen te reduceren tot een klein aantal standaardkeuzen in eten, amusement, huisvesting en kleding. Hij is gemakkelijk te herkennen aan zijn verontmenselijkende uitwerking, zoals dineren aan de lopende band en de automatisering van de klant.

De vermaterialisering van het leven heeft het politieke landschap veranderd. Dit heeft, tezamen met de algemene verbreiding van corporatief nuttigheidsbejag, geleid tot een conventie in de politiek, die in de Verenigde Staten ver is voortgeschreden en die te omschrijven is als de dubbele vermaterialisering van de politiek.

Kandidaten voor een politieke functie moeten zichzelf via commerciële kanalen 'verkopen' in verkiezingscampagnes die vrijwel geheel zijn ontdaan van politiek relevante discussie maar die handenvol geld kosten. Om aan dat geld te komen maken zij zichzelf tot handelswaar ten dienste van zakelijke belangen.Het merendeel van de ongeveer één miljard gulden die zijn opgegaan aan de meest recente Amerikaanse presidentsverkiezingen, was afkomstig van grote industriële bedrijven en van Wall Street. Met dat geld verschaffen grote ondernemingen zich subtiele instrumenten voor politieke intimidatie.

Het zal niemand zijn ontgaan dat in de Westerse democratieën economische overwegingen het primaire richtsnoer in politieke kwesties zijn geworden. Politieke theorievorming is vrijwel verdwenen. Economische beweegredenen vormen de basis voor de overgrote meerderheid van alle beleidsbeslissingen.

De twijfels, die het gevolg zijn van zijn van het temperament van onze tijd, verdragen zich slecht met politiek idealisme. Bovendien wordt het politiek bestel van de Westerse bondgenoten in de Koude Oorlog sinds lang als min of meer uitgekristalliseerd beschouwd en niet of nauwelijks vatbaar voor hervorming. En dus richt aller aandacht zich op de economie. Daarbij komt dat economie, anders dan politiek, als een wetenschap geldt.

Economie wordt gezien als een stelsel van utilitaire waarheden, vrij van politiek gekleurde smetten. Door dit als politiek vermomde economisme heeft de macht van de technocratie zich kunnen vestigen, wat weer heeft geleid tot een sluipende aantasting van de democratie, doordat het publiek minder dan voorheen een stem had in de besluitvorming over zaken van algemeen belang. Technocratisch bestuur zorgt ervoor dat de burgers hun greep op het politieke proces kwijtraken. Zij keren zich beledigd van de politiek af en laten zo nog meer macht aan de technocraten over.

Ik wind me hierover op, omdat ik al decennia lang een samenleving bestudeer waaruit vrijwel alle aansprakelijkheid verdwenen is. En het belangrijkste gevolg hiervan is dat een heersende elite onder zulke omstandigheden volstrekt uit het oog verliest waarmee ze bezig is, en onkundig blijft van de gevolgen van wat ze heeft aangericht.

Nergens anders is de samenleving zo doortrokken van corporatieve normen als in Japan. De McDonaldisering van de Japanse samenleving is vergevorderd. De bureaucratisering van het zakenleven is al zo ver dat we mogen spreken van een geconsolideerd 'bestuurlijk autoritarisme'. In geen ander groot, niet-dictatoriaal geregeerd land ontbreekt het zozeer aan politieke aansprakelijkheid. Geen enkele instantie binnen het Japanse politieke bestel is in staat zich effectief op de hoogte te stellen van het hoe en waarom van het algehele beleid.

De Romeinse satirist Juvenalis heeft in het verband van ons onderwerp de cruciale vraag gesteld: wie zal de hoeders hoeden? Japan biedt het meest schrijnende voorbeeld van hoeders die door niemand worden gehoed. En deze op één na grootste industriële mogendheid, die de macht heeft de economie van andere landen sterk te beïnvloeden, werkt al vele jaren aan een nu doelloos programma van ongebreidelde expansie van haar industriële productiecapaciteit, waarvan het oorspronkelijke doel allang door iedereen vergeten is. Zwakke pogingen van politici om dit mechanisme te beteugelen hebben in het begin van de jaren '90 de vrijwel totale machteloosheid van het parlement aan het licht gebracht. Thans wordt een nieuwe poging gedaan, en we kunnen de betrokken politici daarbij alleen maar geluk toewensen, omwille van Japan en de rest van de wereld.

Instituties die verantwoording kunnen afdwingen, creëren een zelfbewust publiek en dwingen machthebbers zich te bezinnen op hun beleid. Omdat dit soort interactie in Japan vrijwel niet bestaat, is dat land een laboratorium voor de bestudering van onverantwoordelijke machtsuitoefening. Het Japanse systeem is een levensgrote waarschuwing tegen lichtvaardig denken over aansprakelijkheid.

De meeste westerlingen geven zich geen rekenschap van die aansprakelijkheid, omdat in hun democratieën de controlerende instituties in het verleden redelijk goed hebben gefunctioneerd. De politieke opvattingen in Europa en de Verenigde Staten gaan er in het algemeen van uit dat degenen die het in regering of bedrijfsleven voor het zeggen hebben grosso modo begrijpen wat de gevolgen van hun optreden kunnen zijn, en dat de controle op hun handelen afdoend is. Dit zijn thans dubieuze veronderstellingen.

Machtige instanties in de samenleving, die niet aan overheidsregels zijn gebonden, kunnen een groot deel van ons leven bepalen. In de Westerse industrielanden hebben ze voor nieuwe economische onzekerheid gezorgd, in de Verenigde Staten voor veel nieuwe werkloosheid en groeiende inkomensongelijkheid. En denk bovendien eens aan de domper die door de giganten van de amusements- en informatie-industrie op de bronnen van de burgerlijke cultuur is gezet. Kortom, in grote delen van de Westerse wereld verkeert het publiek domein niet in een goede gezondheid.

De technocratische bestuursvorm staat vijandig tegenover zelfstandige geesten die bereid zijn om zowel na te denken over onverwachte vraagstukken als nieuwe vragen te stellen. Want wat de technocratische bestuursvorm technocratisch maakt is het uitgangspunt dat alle vragen die de moeite waard zijn al zijn gesteld. De technocraat die oplossingen moet vinden voor sociaal-politieke of economische problemen meent dat die problemen bekend zijn. Hij kan maar in één richting zelfstandig denken. En omdat hij maar in één richting denkt, lost de technocraat doorgaans geen chronische crises op - hij zijn al blij als hij ze in de hand weet te houden.

Technocratisch bestuur bevordert een intellectuele gezapigheid die ijver voor de goede zaak afdempt en politiek initiatief smoort. Het is geneigd tot wanbestuur dat nooit wordt gecorrigeerd. En Japan leert ons dat bureaucratische macht in een geavanceerde technocratie vrijwel niet meer in staat is om gemaakte fouten recht te zetten.

Maar kijk ook eens naar het beleidsapparaat in Washington dat de Russen op het hart drukt vast te houden aan de economische hervormingen die zijn uitgedacht door Amerikaanse en internationale technocraten, terwijl het al jaren volstrekt evident is dat hun remedies tot rampspoed hebben geleid.

In Moskou uitte president Clinton onlangs nog de vurige hoop dat de Russen met onwankelbare volharding zouden blijven streven naar een economie volgens Anglo-Amerikaans recept, terwijl diezelfde Russen op straat hun meubilair staan te verkopen omdat ze door dit scheppingsproces vooreerst van geld en voedsel verstoken zijn. Technocraten zien alleen de fouten van de ander. Ze ontkennen dat er aan het begin van een misgelopen proces impliciete politieke beslissingen hebben gestaan die zij zelf hebben onderschreven.

Technocratie is in volle bloei op de jaarlijkse G-7-conferenties, waar van tevoren opgestelde en aan het mediacircus uitgedeelde communiqué's de plaats innemen van een inhoudelijke discussie. Zo staan de deelnemers aan het euro-experiment op het punt een bestuursapparaat te consolideren dat wel eens het grootste monument voor de technocratische bestuursvorm uit de geschiedenis zou kunnen worden, wanneer ze een groot brok soevereiniteit afstaan aan een politiek onbeproefde instelling, de Europese Centrale Bank. Ze kunnen dat doen op grond van de wijdverbreide, belachelijke veronderstelling dat het beheer van geld op een politiek neutrale manier kan geschieden - een veronderstelling die zich verschuilt achter het morele voorschrift om wat heet een 'verantwoord financieel beleid' te voeren. Keynesiaanse stimulerende maatregelen worden op voorhand als onverantwoord beschouwd. Dit is technocratie van het zuiverste water.

Er bestaan geen plannen om een federale Europese regering op te zetten rondom die gezamenlijke bank, en Europeanen op hoge machtsposities hebben gezworen dat ze nooit een Europese staat willen. Dat sluit aan bij de geldende technocratische gedachte dat je zonder gevaar de staat kunt afschaffen en het garanderen van orde en recht kunt overlaten aan een 'zelfregulerende markt' zonder grenzen. Wie daar even over nadenkt, beseft dat een markt alleen kan fungeren als er een hecht verankerd juridisch raamwerk bestaat dat de activiteiten en excessen van die markt aan banden legt. Omdat de wereld als geheel zo iets overduidelijk niet heeft, kun je de wereld niet als een markt laten fungeren.

De technocraten van internationale organisaties zijn conceptueel gehandicapt. Met als recente uitzondering de Wereldbank - die nu rapporten publiceert waarin staat “Instituties zijn waardevol” - houden de technocraten instituties opzettelijk buiten hun gezichtsveld. Zo gaan IMF-functionarissen naar Indonesië, Thailand en Zuid-Korea met formules en recepten onder hun arm, maar zonder het flauwste benul van wat er in die landen omgaat.

Op grond van de feiten is de conclusie onontkoombaar dat machthebbers die mede vorm geven aan onze toekomst het zicht kwijt zijn op wat ze doen. Kolossale, mondiale kapitaalstromen bepalen mede de economische orde in geavanceerde industrielanden, maar onttrekken zich aan elke politieke controle. Deze stromen - gevoed door speculatiedrift - staan los van industriële investeringen en handelsakkoorden, en zijn veel omvangrijker dan alles wat ooit vertoond is. Het effect dat ze hebben lijkt, net als dat van het gebureaucratiseerde commercialisme, onontkoombaar, want beide worden belichaamd of vertegenwoordigd door mensen aan wie nooit vragen worden gesteld.

Ik heb reeds gezegd dat de mensheid thans niet wordt bedreigd door revolutionaire dogma's die grootscheeps bloedvergieten moeten rechtvaardigen. Maar de technocraten die heden ten dage de wereld leiden vanuit hun Amerikaanse en Europese hoofdkwartieren - samen met een klein gevolg van nu zwaar beschuldigde technocraten in Oost-Azië - laten zich leiden door een ideologie die zij zelf niet als zodanig erkennen. Deze ideologie wordt meestal aangeduid met de term 'Washington-consensus', een doctrine die deregulering en open kapitaalmarkten predikt, en die alle landen van de wereld belooft dat zij welvarend kunnen worden als ze zichzelf bevrijden van alle regels die het internationale zakenleven beknotten.

De prominentste aanhangers van de Washington-consensus zijn het Amerikaanse ministerie van Financiën, Wall Street, de Londense City en het IMF. Ze worden gesteund door de ministeries van Financiën in de meeste OESO-landen.

Taal en leerstellingen van deze consensus vinden brede navolging onder Amerikaanse en Europese beleidsmakers en worden sinds jaar en dag als het economisch evangelie uitgedragen door de pers. Een in het oog vallende eigenschap van de Washington-consensus is dat zijn aanhangers elkaar steeds weer verzekeren dat er geen alternatief bestaat. En die mantra blijven ze opdreunen ondanks de rampzalige gevolgen ervan.

De machtige technocraat Alan Greenspan heeft het glad bij het verkeerde eind als hij concludeert dat de methoden van kredietverstrekking die in Japan, Korea en Taiwan zijn gehanteerd ten behoeve van een collectief doel en versterking van de industrie, op fundamentele misvattingen berusten. Al een jaar of tien geleden heb ik geconcludeerd dat de bestuurders van 's werelds grootste industriële mogendheid niet willen weten hoe 's werelds tweede industriële mogendheid in elkaar steekt. Ze zijn er als de dood voor.

Misschien verkiezen regerende elites en opinieleiders een heerlijk leven in onkunde boven het gênante geploeter wanneer men zijn zekerheden op losse schroeven zet en denken ze daarbij aan het gezegde “waar onkunde zo heerlijk is, is 't dwaasheid wijs te zijn”.

Het verdwijnen van de echte politieke aansprakelijkheid schept ruimte voor politiek theater. En de alomtegenwoordigheid in onze samenleving van de media maakt het politieke theater tot de overheersende factor ten koste van een serieuze discussie over inhoudelijke zaken.

Hoe moeten we onszelf nu wapenen voor een gevecht met onze tegenstander? Een veldslag tegen grote commerciële organisaties is in deze nadagen van de eeuw niet te winnen. Zulke organisaties zijn voorlopig niet weg te denken. Maar wel is het mogelijk om iets te doen aan de politieke omstandigheden die ze hebben veroorzaakt door de schadelijke gevolgen van de verbreiding van hun corporatieve normen tegen te gaan.

Om de samenleving een nieuwe krachtige injectie met gezond verstand te geven, zouden we moeten nadenken over de totstandbrenging van een Europees publiek domein. Het ontstaan van zo'n domein zou automatisch leiden tot een nieuwe roep om politieke aansprakelijkheid.

Liberale denkers hebben de gewone burger overgeleverd aan het commercieel belang. Ze hebben hem aan zijn lot overgelaten in een maatschappij die langzamerhand weer een feodaal karakter krijgt, naarmate de invloed van de zakelijke oligopolieën groeit ten koste van het publiek domein. Een Europees publiek domein kan dit proces wellicht terugdraaien doordat het lagere echelons nieuw leven inblaast met nieuw ontdekte vragen.

Wat betreft de inhoud van het debat in het publiek domein heb ik onze instituties gestolde geschiedenis genoemd. Voor onze doeleinden is een wereldvisie vanuit het denkbeeld van instituties dan ook het meest vruchtbaar. De meeste mensen die zich in hun dagelijks leven laten leiden door het gezond verstand houden er dan ook zo'n visie op na. Ik wil zelfs zo ver gaan te zeggen dat als we onze instituties serieus hadden genomen toen we de realiteit moesten beoordelen, we nu niet met een crisis in Azië zouden zitten, en waarschijnlijk evenmin met een crisis in Rusland.

Wie iets van instituties begrijpt, brengt ze niet in gevaar zoals de Republikeinse Partij door haar steun aan Kenneth Starrs pseudo-justitiële kruistocht het Amerikaanse presidentsambt in gevaar brengt. Begrip van instituties maakt ons bewust van institutionele horigheid: de omstandigheid die optreedt wanneer we niet kunnen ontsnappen aan een door mensen teweeggebrachte toestand.

Om een groter begrip van de 'gestolde geschiedenis' te kweken, moet er een campagne worden gevoerd voor het herstel van geschiedenis als een belangrijk, verplicht vak op school. Om weer op koers te komen dienen we terug te keren naar een moment vóórdat de projectmatige constructie van het economisch handelen het collectieve bewustzijn van de Westerse politieke elite begon te koloniseren en de kans kreeg alle 'onwetenschappelijke' discussie over het menselijk bestaan opzij te ellebogen. We moeten in dat verband het bestaan van een onnodige, zelfgeschapen intellectuele armoede erkennen die is ontstaan doordat men zogeheten 'amateurs' stelselmatig uit het debat over politieke en economische kwesties heeft trachten te weren. Het zou goed zijn twee gewoonten te heroverwegen die het praten over onze tegenstander in de weg staan. We zouden minder schamper moeten doen over het begrip samenzwering. De gedachte dat heersende elites bestonden uit samenzweerders is met het marxisme uit de mode geraakt. Maar vooral de Japanse situatie toont aan dat het voor de verwezenlijking van politieke doeleinden niet nodig is ze bewust na te streven. En bovendien zijn ongerichte tendensen die aansluiten bij de belangen van sterke elementen in een politieke cultuur niet zomaar om te keren, ook niet wanneer de potentieel schadelijke karakter van zulke tendensen bekend is en tot omkering noopt.

Als vuistregel kan gelden dat we - bij afwezigheid van mechanismen om verantwoording af te dwingen - iets dat eruitziet als een samenzwering ook als een samenzwering beschouwen totdat het tegendeel blijkt.

Een tweede gewoonte betreft het precaire onderwerp de Verenigde Staten, die gevorderde symptomen van de onderhavige verschijnselen vertonen. De Verenigde Staten fungeren veelal als broedmachine voor halfbakken denkbeelden die uit Frankrijk of elders vandaan komen, maar die pas op de campus van Amerikaanse universiteiten virulent worden en van daaruit de wereld veroveren. Tijdens de Koude Oorlog was een zeer kritische analyse van al wat Amerikaans was niet geaccepteerd en werd al gauw gebrandmerkt als anti-Amerikaans. De Westerse wereld kon zich de tweespalt die het gevolg zou zijn van die scepsis jegens de Verenigde Staten niet veroorloven. Dit zwijgen bewijst ons thans een kwade dienst. Dit moet echter niet worden opgevat als een uiting van anti-Amerikaans sentiment. Integendeel.

De Verenigde Staten hebben de politieke beschaving deze eeuw al ten minste tweemaal gered, ten koste van vele Amerikaanse levens. Zoals wij hier bijeen zijn kunnen we dan ook alleen maar dankbaar zijn en blijven voor de rol die zij hebben gespeeld. Maar juist vanwege die rol - en nadat Frankrijk en Groot-Brittannië er tijdens de Suez-crisis van 1956 op pijnlijke wijze aan werden herinnerd dat ze een aan Washington ondergeschikte rol spelen op het internationale toneel - nemen de Verenigde Staten in de periode na de Koude Oorlog een alleenheerserspositie in, waarmee zij zich thans geen raad weten.

De Verenigde Staten zijn niet langer geschikt om de wereld te leiden. Het feit dat er geen Europa opdoemt dat de hegemonie kan overnemen mag ons niet blind maken voor dat onvermogen.

De Amerikaanse wereldpolitiek sinds de Koude Oorlog is de gevangene van provinciale binnenlandse partijpolitiek. Amerikaanse beleidsmakers interesseren zich nauwelijks voor de complexe wereld die ze geacht worden te leiden. Hun motieven dienen kritisch te worden bezien. De Europese media zouden de motieven en de staat van dienst van hun Amerikaanse tegenhangers eens moeten onderzoeken. Het moet duidelijk worden dat hetgeen het Atlantisch Bondgenootschap bijeen hield niet tevens datgene is wat de politieke beschaving bijeen dient te houden.

Het thans slinkende optimisme ten aanzien van het Westen, gebaseerd op het denkbeeld van de markt als messias, is opgekomen als een reactie op de anti-Westerse impulsen vanuit het intellectuele leven sinds de jaren '60; een reactie tegen de aanval op de Westerse traditie zelf. Dit optimisme, met zijn ophemeling van wat William Pfaff heeft genoemd 'nihilo-kapitalisme', is kleurloos en a-historisch gebleken. Maar dit politiek en moreel onvruchtbare nieuwe kapitalisme, dat ook het triomfalistische Washington omvat, vormt een cynisch contrapunt bij het verlies aan vertrouwen in de Westerse traditie.

Fundamentele twijfel aan deze traditie is en was een endemische intellectuele ziekte in de Westerse wereld van de twintigste eeuw. Maar voor wie er niet vanaf kunnen komen, bestaat er wellicht genezing, of althans tijdelijke verlichting, als zij tot de conclusie kunnen komen dat de politieke beschaving onze bescherming waard is.

Voor de ware enthousiasteling bestaat er een omvangrijk moreel grondgebied dat tegen twijfel kan worden geïmmuniseerd. Een strijd tegen iets dat we als fundamenteel verkeerd beschouwen, verschaft ons het Archimedische steunpunt buiten onze wereld van waaruit we die intellectueel en moreel kunnen opheffen.

De aansprakelijke democratische institituties die samen de politieke beschaving vormen, zijn geen willekeurige facetten van een politieke orde zonder morele pretenties, omdat ze in een klein uithoekje van het aardoppervlak zijn ontstaan. Van oorsprong zijn ze een Europees product dat zich heeft gehandhaafd omdat de macht van de Verenigde Staten bescherming bood tegen de barbarij van de twintigste eeuw. Maar er zijn goede redenen om met kracht te pleiten voor aansprakelijk te stellen instituties en effectieve democratie, en om die te blijven voorhouden aan de burgers van landen die minder door de Westerse beschaving zijn beïnvloed.

Men zou wellicht kunnen concluderen dat de politieke beschaving juist vanwege alle onheilsprofetieën is blijven bestaan. De verrichtingen waardoor ze is behouden en verfijnd, zijn zowel het werk van burgers geweest als van hun krachtige politieke vertegenwoordigers die naar de pessimisten luisterden en maatregelen namen om de ondergang af te wenden. Maar pessimisme kan ook fataal zijn.

Theorieën over verval en een in de kern aangetaste beschaving kunnen zelf-katalyserende reacties oproepen. Fatalisme is een van de kwalijkste toestanden van het menselijk gemoed.

Waar we waarschijnlijk uiteindelijk behoefte aan hebben is de terugkeer naar de vooruitgangsgedachte. Deze luisterrijke gedachte, die zijn wortels vindt in het geloof van de oude Grieken, verschilt van niet-Westerse idealen over deugd, kennis en materiële vooruitzichten door de implicatie dat de gehele mensheid van haar verworvenheden kan profiteren. Bezield als ze is met het vermogen ons op te vrolijken diende de vooruitgangsgedachte het intellectuele fundament voor talrijke achttiende- en negentiende-eeuwse denkers, met als gevolg een sterk geloof in de mogelijkheid om door bewust streven maatschappelijke verbetering te realiseren.

De vooruitgang waarin we moeten geloven is niet de grootscheepse metamorfose die voortkomt uit de revolutionaire verbeeldingswereld. Ook is het niet de schijnvooruitgang die ons wordt voorgehouden door de Washington-consensus, die berust op de misvatting dat onbelemmerde markten de groei van een middenklasse stimuleren die weer de democratie zou ondersteunen. In werkelijkheid zijn er geen aanwijzingen voor de juistheid van dit geloof. Eerder pleit er veel tegen.

Wanneer we de vooruitgangsgedachte loskoppelen van het begrip economische groei, zoals gemeten met de standaard-indicatoren en de daaraan inherente illusies en ficties, dan zou ze weer plausibel kunnen worden. Bij een beter begrip van de terugval, vertegenwoordigd door onze tegenstander, kan er weer een vooruitgangsgedachte ontstaan in een nieuwe, levensvatbare gedaante die kan dienen als een rechtgeaard stuk politiek gereedschap. De onheilsprofetieën zijn geenszins onontkoombaar. Een alternatieve beschaving die in staat is de teugels van het Westen over te nemen bestaat niet.

Het beeld van de geschiedenis als een cyclische opeenvolging spreekt ons sterk aan, geïnspireerd als het is op de metafoor van geboorte, groei, jeugd, volwassenheid, verval, ziekte en dood zoals wij die beleven. Beschavingen die in stand werden gehouden door een imperialistisch rijk hebben zulke cycli ook aantoonbaar doorgemaakt. Dat dwingt ons echter te geloven dat deze metafoor ook geldt voor een politieke beschaving die niet van een imperialistische mogendheid afhankelijk is. Als de politieke beschaving ten onder gaat zal het komen door collectieve gezapigheid, en niet door reusachtige, onpersoonlijke en niet door mensenhand te beteugelen krachten.