Clinton tussen volk en congres

Hoe hoog zijn republikeinse vijanden de brandstapel ook hebben gemaakt om zijn impeachment te rechtvaardigen, president Clinton blijft vooralsnog verzekerd van de steun van het Amerikaanse volk.

De argumenten die zijn politieke tegenstanders de afgelopen weken voor het openen van een afzettingsprocedure hebben aangevoerd, weigeren indruk te maken op de kiezers die zij vertegenwoordigen. De waarderingscijfers die week in week uit bij de opiniepeilingen over Clintons beleid tevoorschijn komen, zijn sinds de publicatie van het onderzoeksrapport van de bijzondere aanklager Starr opmerkelijk hoog gebleven en vertonen de laatste weken eerder nog een zekere stijging.

De New York Times ging veertien dagen geleden in zomaar een stad in de staat Ohio op zoek naar het oordeel van de gewone man en vond daar vrijwel niemand die van mening was dat president Clinton het veld zou moeten ruimen. Hoewel de plaatselijke elite van Canton waar de krant de meningen peilde zich op het standpunt stelde dat Clinton de eer aan zichzelf moest houden (Democraten) dan wel moest worden afgezet (Republikeinen), vond de New York Times onder kappers, bloemisten, winkelbedienden, huisvrouwen, garagemonteurs en ander eenvoudig volk vrijwel niemand die het daarmee eens was. Veruit de meeste ondervraagden vonden dat de politici in Washington en vooral de media al veel te veel aandacht aan de zaak-Lewinsky hadden besteed en de pekelzonden van de president buiten proporties hadden opgeblazen. Wat Clinton had gedaan, was in de ogen van de ondervraagde Cantonians geen misdaad: een groot deel van de Amerikanen doet hetzelfde en liegt er ook over. Van iemand die het zo ver gebracht had als Clinton konden de ondervraagden zo'n leugen wel door de vingers zien. “Anders zou hij nooit president zijn geworden.” Zo beschouwd was Clinton een gewone politicus, ja, door en door normaal. De New York Times presenteerde die visie in de kop boven de reportage als de 'common view'. Zoveel begrip voor Clinton, ook van kiezers die in 1996 niet op hem hadden gestemd, had de krant kennelijk niet verwacht. De verslaggevers verzwegen namelijk niet dat ze enige moeite hadden moeten doen om nog een paar gewone kiezers te vinden die het officiële Republikeinse impeachment-standpunt onderschreven.

De afwijkende mening van de gewone kiezer uit Canton/Ohio zei niets anders dan wat uit recente opiniepeilingen al lang en breed is gebleken, maar de New York Times was daardoor vermoedelijk niet overtuigd. Het orgaan van het establishment, dat niet dagelijks contact heeft met de 'common view', leek het pas te geloven nadat ze de gewone man zelf had gesproken.

Intussen begint de Republikeinse meerderheid in het Congres langzaam maar zeker tussen twee vuren te raken, sinds ook de Republikeinse oud-president Gerald Ford zich tegen een impeachment van Clinton heeft uitgesproken.In de New York Times van jongstleden zondag spoorde de voormalige president, die 24 jaar voor de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden heeft gezeten, de Republikeinse Congresmeerderheid (zijn partijgenoten) aan op grond van constitutionele en nationale overwegingen van impeachment af te zien en te volstaan met een berisping. Geen berisping die Clinton zou kunnen weglachen, maar een terechtwijzing die de president zou moeten ondergaan in het volle besef dat de Amerikaanse volksvertegenwoordiging zijn wandaden afkeurt en onder de erkenning dat hij die afkeuring heeft verdiend. Ford heeft daarvoor een scenario bedacht dat stichtend theater belooft en toch alle betrokken partijen in hun eer laat. De dag des oordeels die hij daarvoor heeft gesuggereerd is de Amerikaanse versie van Prinsjesdag, de verenigde vergadering van het Congres waarvoor de president zijn jaarlijkse rede over de State of the Union houdt. In plaats van de traditionele ovatie van de volksvertegenwoordigers te krijgen, wordt de president onthaald op een tevoren overeengekomen, door beide partijen onderschreven scherpe verklaring van ongenoegen ('rebuke'), waartegen geen verweer mogelijk is. Door zich te onthouden van reactie aanvaardt de president de verantwoordelijkheid voor de aldus geënsceneerde terechtwijzing. Als het zo zou gaan, zou de hoogheid van het Congres als constitutionele instelling van het volk worden onderstreept, de waardigheid van het presidentschap in stand worden gehouden en symbolisch een eind worden gemaakt aan een onverkwikkelijke affaire die de Amerikaanse politiek (meer dan het Amerikaanse volk) ongezond lang heeft geobsedeerd. In plaats van bij zijn haren naar de politieke guillotine te worden gesleept zou Clinton op die manier het vege lijf kunnen redden, op voorwaarde dat hij het hoofd buigt voor de vertegenwoordiging van het Amerikaanse volk. Die prijs kan nooit te hoog zijn voor een normalisering van het staatkundige leven, om niet te zeggen voor de heling van het land.

Doordat de opwinding over de affaire-Lewinsky sinds januari van dit jaar met de Amerikaanse politiek en de media op de loop is gegaan, lijkt een collectieve debriefing van de politiek-culturele elite daar een noodzakelijke voorwaarde om het beleid van de president ooit nog in perspectief te kunnen zien. De politieke journalist Joe Klein, auteur van de succesvolle, verfilmde politieke roman Primary Colors, merkte enkele weken geleden op de Amerikaanse televisie op, dat het overschaduwende effect van het schandaal intussen zo groot is geworden, dat er bijna geen mensen meer zijn die nog willen geloven dat de president gewoon elke dag zijn werk doet en belangrijke beslissingen neemt die zowel voor de Amerikanen als voor heel de wereld van grote betekenis zijn. Op een enkele uitzondering na (staatsbezoek, topconferentie of een toespraak tot de VN) is geleidelijkaan, maar ten onrechte, de indruk ontstaan dat de regering van Clinton alleen nog maar bezig is de aanklacht van Starr en de schandaalberichtgeving te weerleggen. Maar het nieuws over een eventuele impeachment is niet meer van de televisie te branden. In de honderden talk-shows die de Amerikaanse nationale televisiestations en de zes nieuwszenders van de kabeltelevisie (met hun ontelbare regionale en lokale varianten) dagelijks uitzenden, is er de afgelopen weken maar één thema geweest dat de 'talking heads', de politieke deskundigen op de televisie, heeft beziggehouden: de affaire van de Amerikaanse president met de stagiaire van het Witte Huis. Alle andere onderwerpen moeten daarvoor wijken.

In het zojuist verschenen septembernummer van Press/Politics , een uitgave van de Kennedy School of Government van Harvard (Cambridge, Mass.) worden onderzoekscijfers vermeld die de bizarre omvang van die totaal ontspoorde aandacht voor 'sex, lies and videotapes' illustreren. Volgens Paul Begala, een lid van de staf van president Clinton, die een recent onderzoek aanhaalt, hebben de meest bekeken praatprogramma's op de televisie in de eerste drie weken na de publicatie van het Starr-rapport 41 procent van de zendtijd gewijd aan commentaren op de affaire-Lewinsky. Met de tientallen politieke talk-shows van de weken daarna was dat cijfer aanzienlijk hoger, soms wel twee keer zo hoog. Televisie gaat in de VS allang niet meer over politieke feiten op grond waarvan het publiek zich een mening kan vormen, maar voornamelijk over de mening van 'deskundigen'. De meesten daarvan hebben een onbewimpelde afkeer van Clinton. Er zal een leger historici aan te pas moeten komen dat het ernstig verstoorde evenwicht in de politieke voorlichting aan het publiek moet herstellen, om eindelijk de vele zoekgeraakte regeringsbesluiten die in de oploop om het Lewinsky-schandaal onder de voet zijn gelopen weer aan het licht te brengen.