CANNOLI (3)

De benodigde vulling voor de cannoli (zie de recepten van zaterdag 3 en maandag 5 oktober) kan ruim van te voren worden bereid. Het vullen van de cannoli moet echter vlak voor gebruik worden gedaan zodat het krokante deeg van de hulzen niet taai of zacht kan worden.

Bereiding: Zorg dat de ricotta goed is uitgelekt. Fabrieksmatig vervaardigde ricotta is droger en gladder dan ambachtelijk vervaardigde ricotta zodat de kaas in dat geval niet meer hoeft uit te lekken noch door een zeef gedrukt om een fijne structuur te verkrijgen.

Roer de ricotta los en luchtig in een ruime kom en meng er naar smaak de suiker, het sinaasappelbloesemwater, de geconfijnte citrusschillen en de grofgeraspte chocolade doorheen. Zet de schaal, afgedekt met folie, tot gebruik in de ijskast zodat de vulling goed koud wordt en stevig blijft. Vul zo kort mogelijk voor gebruik de krokante deeghulzen met behulp van een theelepeltje met het ricottamengsel; strijk de vulling glad en strak in de schuin aflopende openingen. Garneer het zichtbare deel van de vulling naar wens met wat geraspte bittere chocolade of in ruitvorm gesneden stukjes geconfijte sinaasappelschil. Zet de cannoli op een serveerschaal en geef ze door middel van een met poedersuiker gevuld theezeefje een matwit suikerwaasje mee. Serveer de cannoli direct.

Met twee cannoli is iedere gegadigde riant bedeeld maar meestal blijken ze al na de eerste cannolo voor de mast te zitten. Ze ogen onschuldig, maar o wee, denk aan oompje.

Voor 9 cannoli:

250 gram (verse) ricotta

100-125 gram fijne tafelsuiker

1/2 eetlepel sinaasappelbloemsemwater

20 gram sukade, tot brunoise gesneden

20 gram geconfijte sinaasappelschil, tot brunoise gesneden

20 gram bittere chocolade, grofgeraspt

18 vierkantjes geconfijte sinaasappelschil of extra geraspte bittere chocolade (garnering)

poedersuiker