Theo Maassen is vooral hardhandig

Voorstelling: Ruwe pit, door Theo Maassen. Gezien: 4/10 in de Kleine Komedie, Amsterdam. Tournee t/m 17/6. Inl. (020) 6260350.

Theo Maassen weet van aanpakken. Hij loopt het toneel op en maakt meteen een racistische grap. Dat die niet erg sterk is - en bovendien al vaker verteld - lijkt er niet toe te doen. Hij oogst de eerste lach en gaat verder, een half uur lang tot de eerste black-out, van de hak op de tak. Zijn timing is gehaaid, hij blaast precies de juiste woorden aan voor een maximaal effect, hij kan versnellen en vertragen als de beste en hij speelt af en toe een slim spel met de logica van de taal, zoals in een opmerking over iemand die hem ditmaal nogal voorspelbaar had gevonden. Dat had hij van Theo Maassen niet verwacht.

Ruwe pit is zijn derde programma. In hoog tempo is Theo Maassen één van de populairste cabaretiers van het land geworden. Dat heeft hem, zo te zien, overmoedig gemaakt.

Hij weet dat ook zo'n zwakke grap over buitenlanders er wel in gaat, evenals enkele vuilbekkende nummertjes seksisme, die mij nogal naargeestig voorkomen, maar om mij heen golvende lachbuien teweeg brengen. Hij brengt in zijn voorstellingen de directheid van de stand-up comedy, die hem overduidelijk heeft geleerd hoe hij de zaal uit zijn hand kan laten eten.

Waar het bij hem over gaat, wordt intussen steeds minder evident. Eerder toonde hij zich een vertegenwoordiger van de generatie die twijfelt, en niet eens weet waaraan. Nu, op zijn 31e, komt hij niet veel verder dan een tirade over de domheid die overal regeert. “Niemand is slim genoeg om zijn eigen domheid te bevatten,” zegt hij. En hij stelt vast dat onze hersenen de domste liedjes en reclamespotjes onthouden, terwijl zo veel belangrijke dingen níet tot ons brein doordringen. Daar laat hij het bij.

Wel maakt hij nog een honende running gag van de verontschuldigende tekst die menig handelaar in dubieuze waren in de mond bestorven ligt: “Er is blijkbaar behoefte aan, en wie zijn wij dan om daar niet aan te voldoen?” Zelf vervult Maassen intussen een grote behoefte aan lachen - het maakt nauwelijks meer uit waarom. Hij voert een paar stuitende types op, net als zijn generatiegenoot Hans Teeuwen, maar laat ze daarentegen zelden door hun eigen botheid door de mand vallen. Alleen als een treffend getypeerde bokstrainer die zijn pupil afbekt, en als een carnavalsvierder die in zijn eentje moet opdraaien voor de smerige streken van de hele Raad van Elf, schemert er door zijn hardhandige grappen een hoekig soort pathetiek.

Elders blijft die onderlaag weg. En dat laat bij mij, ondanks het feit dat er weer vaak om Theo Maassen te lachen valt, een vaag gevoel van teleurstelling na.