Nunes vult de zaal met aanraakbare stralende muziek

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Lawrence Renes en Micha Hamel met Emmanuel Nunes: Quodlibet. Gehoord 3/10 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4: 7/10 20.02 uur.

Ingepakt door het geluid van alle kanten en uit alle kieren beleefde ik zaterdag in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw weer de sensatie van dertig jaar geleden in diezelfde ruimte. In het Holland Festival werd toen onmiddellijk volgend op Weberns cantate Das Augenlicht Ton de Leeuws Spatial Music III voor orkest en tape uitgevoerd. Musici zaten in steeds weer andere opstellingen tussen het publiek in de zaal. Het was alsof je niet alleen de musici, maar ook de muziek kon aanraken.

Zo'n typische jaren-zestig-happening bood in de Matinee nu weer Quodlibet uit 1991 van de Portugees Emmanuel Nunes (1941), een Nederlandse première. Eind jaren zeventig begon hij aan zijn cyclus De Schepping, vol kabbalistische mystiek met onder meer een tekst over een licht, zo intens, dat slechts een 'niet zien' mogelijk is. Ook in Quodlibet klinkt op de beste momenten een muziek als van een ver en toch stralend licht waarin tonen verkleuren, weerkaatsen en ombuigen.

Vreemd: veel meer dan de talrijke uitspattingen in het koper en woedeaanvallen op de pauken zijn het die stille stralen die je oren spiesen. Tegen het slot heerst er een bizarre ontregeling. Rusten monden maar niet uit in applaus, geladen als ze zijn door een geheimzinnige kramp, alsof de geesten van het Concertgebouw wraak nemen.

Quodlibet, gebaseerd op notenmateriaal van gereorkestreerd ouder werk, is een nauwelijks te realiseren blauwdruk van een utopie. Ook de toelichting heeft iets utopisch. Nunes stelt zich twee uitersten voor. De ene bevat een muziek die zó is geschreven dat hij slechts in één enkele ruimte past. Zoiets als Borges' landkaart die zó detaillistisch is dat de kaart even groot is als het land zelf. De andere muziek is zo geschreven dat hij in elke zaal identiek klinkt. Daarvoor komt slechts in aanmerking Cage's 4'33'' - iets meer dan viereneenhalve minuut totale stilte.

Nunes Quodlibet lijkt in eerste instantie op het eerste model, ontworpen als het is voor de grote evenementenzaal in Lissabon, het Coliseu dos Recreios. Maar omdat elke uitvoering in een andere zaal geheel wordt aangepast aan de nieuwe ruimte is het werk tegelijkertijd ook een model voor het tweede, al even utopistische type.

Het orkest is opgedeeld in vier groepen. De eerste groep (45 musici) zit op het podium, in groep twee maken zich daaruit zeven instrumentale solisten los. Een derde groep omvat zes slagwerkers verspreid over tien plaatsen, waaronder de gangen buiten de zaal. Groep vier (enkele blazers en violen) pendelt door de diverse ruimtes zoals ook de tweede dirigent mobiel is. De ruimtelijke spreiding van de musici, voor, achter en soms naast de luisteraar, levert in de partituur een onderscheid op in zeventien verschillende posities.

Uiteraard neemt niet iedereen hetzelfde waar. Iemand boven het podium hoort op 22 min 30 sec een mini-hoboconcert. Ik beleefde reeds na 10 minuten, rechts vooraan in de zaal gezeten, een mini-vioolconcert, etcetera, etcetera. Fel rood oplichtende digitale klokken bieden oriëntatiepunten zonder welke dit werk onuitvoerbaar zou zijn.

Helaas heerst een overdaad aan pathetische spanning, te veel explosies, te veel passionato in een te gelijksoortige retoriek. Je vraagt je ook af of de eisen tot uiterste nuanceringen zinvol zijn. Ton de Leeuw liet te veel aan de uitvoerenden over, Nunes te weinig. Maar goed, tegen het slot - als in een denkbeeldige cantate Das Ohrenlicht - gebeuren er wonderen. En daarvoor mogen we de virtuoze musici van het Radio Filharmonisch Orkest en hun beide dirigenten vooral dankbaar zijn.