Intimidatie

Iemand schreef een verwonderde brief aan het ochtendblad: wat doen cultuursociologen toch moeilijk over het toenemende geweld.

Ligt het niet voor de hand om vast te stellen dat agressief gedrag blijkbaar op de een of andere manier loont? Hij opperde het nog voorzichtig, terwijl zijn gelijk zo evident is. Natuurlijk loont het om de regels te overtreden. Vooral in een omgeving waar alle anderen zich er angstvallig aan houden en ook boosdoeners beleefd worden behandeld. Met intimiderend gedrag wat meer ruimte opeisen dan een ander, de belasting ontduiken die verder iedereen betaalt - het is vreemd dat niet veel meer mensen in de gaten hebben hoe effectief dat is, en er hun voordeel mee doen.

In de wereld van kunst en cultuur kun je helemaal veel plezier beleven aan het overtreden van regels. Sterker nog, daar is het bon ton. Die wereld is dan ook een speeltuin, een gebied waar de schade aan derden in principe beperkt blijft: van een wat minder geniale schrijver die weer eens 'afrekent met de traditionele romanvorm' heeft vooral zijn uitgever last. Een kunstenares die de limieten van haar lichaam wil verkennen, bezeert vooral zichzelf. Het publiek kan altijd wegblijven, of vluchten.

Toch zijn er op dat terrein ook voorbeelden waar het publiek wel degelijk last heeft van iemands tomeloze drang om grenzen te overschrijden. Neem de architect, wiens functie de laatste eeuw steeds meer een artistiek en minder een dienstbaar aura heeft gekregen. Zijn scheppingen moeten ongelukkigerwijs gebruikt worden door mensen voor wie vluchten of wegblijven niet echt een optie is.

Zo stond ik laatst op een trap die - ik kan het niet anders zeggen - grondig afrekent met de traditionele trapvorm. Zeer hoge, diepe treden van beton waartussen, in schuin verloop, kleinere treden van hetzelfde materiaal waren gezet. Slecht te zien en net iets te smal, kortom, een nachtmerrie voor de motorisch minder gezegende medemens.

De trouwe krantenlezer kan misschien raden dat ik het over de Villa VPRO in Hilversum heb, een 'opengewerkte betonkolos' zoals iemand het noemde, waarin zo veel mogelijk architectonische conventies zijn doorbroken (nauwelijks muren, diverse hellingen, totale onoverzichtelijkheid) met eclatant succes voor de makers, het architectenbureau MVRDV. Terwijl de omroepmedewerkers vertwijfeld met kasten schuiven tegen de tocht en de herrie, oogsten zij prijzen. Bussen met architectuurstudenten rijden af en aan.

(Een vriend vertelde mij over de hartverwarmende sfeer waarin hij in de VPRO-villa werd ontvangen: iedereen wees hem voortdurend op gevaren van struikelen, vallen - 'het was een beetje alsof je opnieuw leerde lopen.')

Het heeft iets verbazends dat, terwijl al eeuwen bekend is hoe een bruikbare trap er zo ongeveer uit moet zien, sommige architecten daar toch lak aan hebben, en er hemelhoog voor geprezen worden. Hoewel, dat laatste is niet zo verbazend, want dat doen ze in zekere zin zelf.

In Leiden staat een universiteitsgebouw waar het keukenpersoneel last kreeg van duizelingen door de scheve muren. In Rotterdam is een museum met metalen roosters als vloeren, zodat bezoekers met hoge hakken of hoogtevrees er niet kunnen lopen, terwijl rolstoelrijders het hele gebouw wel kunnen vergeten. Al dit soort vondsten, scheve muren, roostervloeren, worden met enthousiasme overgenomen door andere architecten die er weer hun eigen pesterige draai aan geven.

Het is natuurlijk een kwestie van assertiviteit. Een zekere geldingsdrang is toch al nodig om een heel gebouw neer te zetten. Om er dan ook nog een grotendeels onbruikbaar gebouw van te maken, dat er heel bijzonder uit ziet, moet wel nog een grotere kick zijn. Keurige dames en heren die het toezicht moeten houden, voelen zich oude sokken als zij beginnen over wetten en praktische bezwaren. Een opdrachtgever is nergens zo bang voor als een oude sok te zijn in de ogen van de kunstenaar die hij betaalt.

De moraal? Intimiderend gedrag loont, daar helpt geen moedertje lief aan - op straat, in de kunst en overal.