Het gevecht met de elastieken benen

Zestien snelwandelaars waggelden gisteren door de straten van Sint-Oedenrode bij het NK over 50 kilometer. “Wat ze roepen als ik voorbij kom? Of ik m'n handtasje vergeten ben.”

SINT-OEDENRODE, 5 OKT. Souplesse en uithoudingsvermogen zijn de natuurlijke eigenschappen waarover een snelwandelaar dient te beschikken. In Sint-Oedenrode, gisteren het decor van het NK over 50 kilometer, is echter ook waakzaamheid geboden. Omdat het stratenparcours niet is afgezet, heeft het verkeer vrij baan. Reden waarom de organisatie op vrijwel elke hoek van de straat een levensgroot bord heeft neergezet: 'Pas op wandelaars'.

Die waarschuwing blijkt niet aan dovemansoren gericht. Omzichtig wurmt het verkeer zich door de straten van het Brabantse kerkdorp, waar halverwege de Koninginnelaan een marktkraam dienst doet als wedstrijdsecretariaat en het woord FINISCH in blokletters op het wegdek is aangebracht. Wedstrijdleider Theo Tromp excuseert zich voor de opzichtige spelfout. “Het was vanmorgen kennelijk nog een beetje te vroeg voor onze man met de kwast.”

Tromp is vice-voorzitter van wandelvereniging OLAT (Ollandse Lange Afstand Tippelaars), die dit jaar de organisatie van het NK voor haar rekening neemt. Het is een bescheiden kampioenschap met een al even bescheiden deelnemersveld: zestien Nederlanders, vier Belgen en één Duitser. Voor zowel de Nederlanders als de Belgen staat een nationale titel op het spel, de Duitser Manfred Loch loopt de 25 ronden volgens Tromp “puur voor de lol” mee.

Van liefhebbers moet snelwandelen het hebben, weet Tromp. Hoewel het recreatief wandelen in Nederland wekelijks duizenden mensen op de been brengt, leidt “de wandelsport als topsport” een marginaal bestaan, met naar schatting slechts veertig actieve wedstrijdlopers. Tromp, zelf een verwoed snelwandelaar, weet waarom. “Mensen associëren snelwandelen nog teveel met padvinders die liedjes zingen op de hei. 'Een potje met vet' en 'De paden op, de lanen in', dát werk.”

Storen doet Tromp zich niet langer aan de heersende vooroordelen, maar leuk is anders, zo beweert hij. En nu hij toch bezig is, mag hij dan misschien even wijzen op “de niet geringe inspanningen” van de gemiddelde snelwandelaar? “Zelf heb ik onlangs Parijs-Amsterdam gelopen. Een zevendaagse tocht met een gemiddelde snelheid van 7,2 kilometer per uur en elke dag maar een paar uur slaap. Ik daag iedereen uit om het mij na te doen.”

Snelwandelen worstelt met een ander, zo mogelijk nog hardnekkiger vooroordeel, die alles te maken heeft met wat Tromp “een vermeende onnatuurlijke houding” noemt. Omdat de regels voorschrijven dat de atleet voortdurend contact moet hebben met de ondergrond hanteren de lopers een techniek waarbij 'het voorste been gestrekt moet worden neergezet en gestrekt moet blijven totdat het recht onder het lichaam staat'. Het gewaggel met de elastieken benen - “Swingen vanuit je heupen” volgens van Tromp - werkt niet zelden op de lachspieren van buitenstaanders.

Ook daar weet Tromp alles van. Regelmatig is hij het mikpunt van hoon en spot. “Wat ze zoal roepen als ik voorbij kom? Of ik m'n handtasje vergeten ben, en meer van dat soort onzin.” De 49-jarige kantinebeheerder vertelt het met een aanstekelijke glimlach, maar onderkent de ernst van zijn opmerking. “Een snelwandelaar moet over een groot incasseringsvermogen beschikken. Het is niet leuk om allerlei opmerkingen naar je hoofd geslingerd te krijgen, zeker niet als je in je eentje op pad bent.”

Illustratief voor de geringe populariteit van het snelwandelen mag de steun en bemoeienis van de Nederlandse atletiekunie (KNAU) met het NK in Sint-Oedenrode worden genoemd. Amper twee weken geleden kregen Tromp en de zijnen toestemming de titelstrijd te organiseren. Die lakse houding sterkte de wedstrijdleider in zijn mening. “Voor de KNAU telt het snelwandelen niet. Het is tijdrovend, en voor de bond de moeite daarom niet waard.”

Dat geldt niet voor Henk Plasman, die gisteren in 4.29,11 de Nederlandse titel voor zich opeiste. Sinds zeven jaar beoefent hij de wandelsport, nadat hij tot de slotsom was gekomen “goed overweg te kunnen met lange rechte wegen”.

De charme van het snelwandelen verklaart de 41-jarige postbeambte door te wijzen op de moeilijkheidsgraad. “Soepel in de heupen blijven, en dat kilometers lang zonder dat een scheidsrechter je op de schouders tikt.”

Plasman legt gemiddeld 120 kilometer per week af. De Brabander maakt sinds vijf jaar deel uit van de nationale selectie, maar moet zich internationaal tevreden stellen met een bijrol temidden van de wereldtop. Olympische dromen koestert Plasman dan ook niet. “Ik hoor daar niet thuis. Bovendien beginnen de jaren te tellen.”

Liever wijdt Plasman zich de komende jaren aan de opleiding van jeugdig talent. “Hoe jonger hoe beter, want jonge kinderen hebben weinig vooroordelen ten opzichte van het snelwandelen.”