Fred Piek over vroeger

Fred Piek, met Walter Kuipers, Louis Debij en Henrik Holm: Vroeger is terug, 15/10 t/m 18/12. Inl. (020) 6260350. De cd verscheen bij MW Records, MWCD 4018.

VLAARDINGEN, 5 OKT. “Vroeger heeft voor veel mensen nog steeds iets stoffigs. Ze associëren volksmuziek met dorre archieven en geitenwollensokken. Dat was al zo in de tijd van Fungus, en nu, na 25 jaar later, blijkt dat er op dat punt niets is veranderd - ook al kunnen ze niet meer lacherig doen over mannen met baarden, want die baarden hebben we intussen afgeschoren. Bij veel van die mensen staan wel platen in de kast van Ierse of Amerikaanse folk-groepen, maar om één of andere reden heeft de Nederlandse volksmuziek nooit, zoals in andere landen, een natuurlijke plaats in het totale muziekbeeld gekregen. Ik zit er niet mee, maar het betekent natuurlijk wel dat ik met mijn muziek nooit de grote massa zal bereiken.”

Fred Piek (49) maakte vorig jaar een comeback met de cd Vroeger is terug en is vanaf 15 oktober op tournee met een gelijknamig theaterconcert. Als zanger en gitarist was hij in de jaren zeventig, met volle baard en lang sluik haar, het middelpunt van de folkrock-groep Fungus. Het oude zeemanslied Kaap'ren varen, dat ook nu weer op zijn repertoire staat, was in 1974 zelfs een hit. Sindsdien speelde Piek onder meer bij The Amazing Stroopwafels en het trio Drie Heren en maakte enkele soloplaten. Maar daarna was weinig meer van hem vernomen.

“Toen ik een jaar of tien geleden merkte dat er niet veel belangstelling meer was voor mijn muziek, ben ik gestopt. Dankzij een parttime-baan als financieel administrateur bij een bedrijf dat licht en geluid verhuurt, heb ik het hoofd boven water kunnen houden. Het balletje is pas weer gaan rollen, toen ik vorig jaar de multi-instrumentalist Walter Kuipers ontmoette. We hadden nooit eerder samengewerkt, maar we kenden elkaar wel - het wereldje van de volksmuziek is niet zo groot en bovendien zat zijn neef destijds bij Fungus. Dat spoorde me aan om te beginnen aan een nieuwe ontdekkingsreis in de volksmuziek.

“Toen ik een jaar of twintig was, ging ik vaak op vakantie naar Engeland, waar op dat moment een ware folk boom gaande was. Ik rende alle festivals af en speelde daar af en toe ook zelf. Dat waren angelsaksische liedjes, tot die Engelsen mij vroegen of wij in ons eigen land niet óók dat soort repertoire hadden. Nee, zei ik. Maar toch ben ik eens gaan spitten. Je had toen nog het radioprogramma Onder de groene linde waarin Ate Doornbos opnamen liet horen van oude mensen die liedjes uit hun jeugd zongen. Daar kwamen de eerste nummers voor Fungus vandaan.

“Nu is dat hele archief ondergebracht bij het P.J. Meertens Instituut, waarvan je door de boeken van J.J. Voskuil misschien een verkeerde indruk krijgt. Laatst was er op de televisie een documentaire over hun verhuizing, waarin een mevrouw iets van die liedjes liet horen. Ik moet daar weer eens naar toe, al was het maar om wat gegevens te verzamelen voor de verbindende teksten in het theaterprogramma. Of er nog veel nieuw materiaal tevoorschijn zal komen, betwijfel ik. In de Fungus-tijd hebben we de toplaag er al min of meer afgeschraapt. Wat je daaronder vindt, zijn voornamelijk liedjes die alleen maar variaties zijn op de thema's die we al kennen.

“Als je van een sterke kant wilt spreken, dan is waarschijnlijk mijn sterke kant dat ik die nummers laat klinken alsof ze van mij zijn. Ik wil altijd zo veel mogelijk vast houden aan de originele teksten, zodat er dus ook wel eens vreemde zinswendingen en rare woorden voorbij komen, en toch zing ik ze alsof ze vandáág geschreven zijn. Als zo'n lied me pakt, wil ik het nieuw leven inblazen. Zo gaat het immers ook in andere landen; daar wordt de volksmuziek steeds opnieuw door anderen gezongen, waardoor die zich blijft vernieuwen en verversen. Ook al is ze dan van vroeger.”