Brendel speelt en publiek vereeuwigt gehoest op zijn cd

Concert: Alfred Brendel (piano). Programma: Schubert: Sonate in B, D 575; Sonate in G, op. 78, D 894 'Fantasie'. Mozart: Sonate in Bes, KV 570. Haydn: Sonate in D, Hob. XVI/42. Gehoord: 4/10 Concertgebouw Amsterdam.

Zoals een schilderij bestaat bij gratie van het linnen doek, zo bestaat muziek bij gratie van de stilte. Stilte genereert aandacht en vormt de achtergrond waartegen de contouren van de muziek zich aftekenen, stilte vormt de basis van alle serieuze muziek. In onze eeuw is er een overvloed aan muziek die geen ander doel dient dan het verjagen van de stilte, maar het gaat hier om de klassieke muziek. Het soort muziek waarmee pianist Alfred Brendel, misschien wel de meest 'klassieke' onder de grote pianisten, de geluidsindustrie van waardevolle producten probeert te voorzien.

In het Amsterdamse Concertgebouw was gisteravond Brendels recital met sonates van Schubert, Haydn en Mozart tevens een cd-opname. Brendel zette pas in nadat hij stilte had afgedwongen door enkele seconden roerloos achter de vleugel te blijven zitten. Maar dat weerhield zijn publiek er niet van al na enkele maten, bij voorkeur op broze momenten, in hoestsalvo's uit te barsten. Het leken storende signalen van ongedurigheid, want Brendel vergde met zijn programmakeuze wel erg veel toewijding en concentratie van de toehoorders. In de woorden van mijn buurvrouw: 'Waarom speelt 'ie nu niet iets spannenders? Een sonate van Prokofjef, of desnoods Bartók?'

Zijn wij anno 1998 niet meer helemaal in staat de intieme schoonheid van de pianosonates van Schubert, Haydn en Mozart als bevredigend te ervaren, of had Brendel vanwege zijn cd-opname last van óver-beheersing? In zijn tempokeuze bleef Brendel steeds aan de langzame kant en zijn doordachte fraseringen neigden naar het al te nadrukkelijke. Zo ging op veel momenten de suggestie van spontaniteit verloren. Brendel creëerde als het ware schitterende, voorname bouwwerken, die niet toegankelijk werden verklaard voor het publiek.

Desondanks bleef er veel te genieten over: de fluwelige, suggestieve en zingende kwaliteiten van Brendels toucher, de volstrekte helderheid waarmee hij de 'duistere' overgangen in Schuberts Sonate in B D 575 en de Sonate in G D 894 weergaf, de onweerstaanbare rubati waarmee hij in Mozarts Sonate in Bes, KV 570 en Haydns Sonate in D Hob. XVI/42 een briljant spel speelde met de onaantastbare verhoudingen binnen de klassieke sonatevorm, zijn robuuste lyriek en af en toe bijna orkestrale dramatiek, en zijn a-sentimentele weergave van de sentimenten in de partituur. Maar pas met Brendels betoverende toegift, het Menuetto uit Haydns Sonate in Bes Hob. XVI/ 32, kwam het 'onbereikbare ideaal' binnen ieders handbereik.