Bewegen als de noten van een Bach-compositie

Dans: Bach en vogue door Introdans met Goldberg-Variationen van Heinz Spoerli, Going Bach van Nicolas Musin, Made to measure van Conny Janssen. Muziek: J.S. Bach, Hughes de Courson/Pierre Akendengué. Gezien: 2/10, Schouwburg Arnhem. Tournee. Inl. (026)351 21 11.

Híj is altijd in zwang. Zíj zijn niet allemaal even modieus. Toch brengen de choreografen Heinz Spoerli, Nicolas Musin en Conny Janssen met Bach en vogue een aantrekkelijk programma, waar Introdans en de muzikale spil van de avond, de bijna 250 jaar geleden overleden J.S. Bach, trots op kunnen zijn.

De Zwitserse choreograaf Spoerli (1941) begint, met delen uit zijn avondvullende Goldberg-Variationen (1993) op Bachs gelijknamige compositie voor (forte-)piano. Tegen een wit, rood of blauw achterdoek (een typisch ontwerp van Keso Dekker) verschijnen de dansers in huidstrakke balletpakjes en in verschillende formaties. Zij zijn als de heldere en dwarrelende noten, aanslagen en klanken van het montere muziekstuk. Het is een klassiek staaltje muziekballet dat behoorlijk saai voortkabbelt en soms te steriel is voor de warme Bach. De Goldberg-Variationen zijn gemaakt voor een solo-instrument. Maar had Spoerli de dansers niet wat 'meerstemmiger' kunnen laten reageren? Een scherpere uitvoering kan baten.

De Belg Nicolas Musin (1968) en de Nederlandse Conny Janssen (1958) tonen zich eigentijdser en brutaler ten opzichte van hun inspiratiebron. Behalve Bach in originele staat gebruiken beiden Lambarena - Bach to Africa van Hughes de Courson en Pierre Akendengué: Gabonese melodieën en ritmes en mixages daarvan met Bach.

Musin groeide op in West-Afrika. Zijn Going Bach opent met een lied dat wordt gezongen ter voorbereiding op een dansoptreden. Vier vrouwen zitten wijdbeens met opgetrokken knieën en lopen met de kont naar achteren af. Na dit verrassende intro neemt Bachs levenslustige Dubbelconcert voor 2 violen het abrupt over. Maar Afrika blijft lonken. Absurde barok-achtige kostuums worden gecombineerd met verstikkende Masaai-halskettingen. Een projectie van pijlen lijkt op de notatie van een hofdans. De uitbundige choreografie, die goed grip heeft op de muzikale accenten, bevat frivole sprongetjes en ontspannen ledematen die Bach wonderwel passen.

Janssens uitgangspunt voor Made to Measure is de Johannes Passion, het emotionele en compassievolle vocale werk voor koor en solisten over het lijden van Christus. Delen hieruit gaan moeiteloos over in de Lambarena-bewerking ervan met percussie, dierlijke stemgeluiden en een - helaas nogal kitscherig - elektronisch (missie-)orgeltje. De bewegingen zijn vloeiend, reikhalzend en subtiel. Een vrouw wordt onder haar oksels opgetild, slap als een pop, de kousevoeten bungelend. Een hoofd zoekt bescherming in een buikholte. Een hand maakt een strijkende draaibeweging over het hoofd. Een lichaam glijdt in een snoekduik over de rug van een ander. Duetten voor meerdere paren ('de groep') wisselen af met solo's ('de enkeling'), die nog breekbaarder worden tegen stilte of imposante koorvolumes. Een standenbord ('Strike Out') suggereert een honkbalwedstrijd. Symbool voor de verloren strijd van de Verlosser of van religie als gemeenschappelijke oplossing? Het stralende licht tot slot is in elk geval in bundels verdeeld over de dansers. Een veelheid aan individueel talent in de spots. Een goede typering van Bach en vogue als geheel.