Alma Mater moet het roer omgooien

Dr. H.W. von der Dunk is emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de twintigste eeuw aan de Universiteit Utrecht.

Iedereen moet kunnen studeren, klonk het eind jaren zestig. De universiteiten hebben het geweten, verzucht thans menig (oud-) hoogleraar. De Alma Mater is verworden tot een modderbrij. H.W. von der Dunk pleit voor een selectie aan de poort en voor universiteiten die niet buigen voor de luimen van de markt.

Iedereen die nog niet alle besef is kwijtgeraakt van wat met een misschien wat pompeus woord 'wetenschappelijk ethos' kan worden genoemd, weet dat aan de universiteit sedert lang een infantiliseringsproces aan de gang is. Voor alle duidelijkheid: onder 'wetenschappelijk ethos' versta ik heel eenvoudig het besef dat het in elke tak van wetenschap in de eerste, de tweede en de laatste plaats om het vinden van kennis gaat, en dat dit doel rigoureus en onbarmhartig gescheiden dient te worden van het eventuele nut voor de maatschappij. Max Webers eis van de wertfreie Wissenschaft is in dat opzicht actueler dan ooit. Sterker nog, dat wetenschap zich niet bekommert om haar directe nut is precies haar enige legitimatie.

Iets anders is uiteraard dat wetenschappers hun menselijke tijds- en maatschappijgebonden beperkingen nooit kunnen afleggen en dat ze door die binding altijd andere motieven en impulsen bij hun zoektocht naar waarheid meeslepen. In de geesteswetenschappen is dat zoals iedereen weet al helemaal onvermijdelijk. Maar het is iets anders of ze vanuit die beperking als een algemene condition humaine te werk gaan (die in de ene wetenschap trouwens veel meer telt dan in de andere) en dat ze daarbij ook terdege rekening houden met de maatschappelijke effecten van hun gevors en geëxperimenteer, óf dat hen van boven- en buitenaf alsmaar wordt voorgezegd dat hun werk maatschappelijk nuttig moet zijn, willen ze niet gekortwiekt worden op hun middelen of hun positie. Waarbij dat 'nut' dan nog veelal door de waan van de dag wordt bepaald. Dit verschil is het kardinale punt. In die sturing van buitenaf onderscheidden totalitaire staten zich van open samenlevingen. Maar zie: nadat het Sovjet-imperium is ingestort, vond bij ons aan de universiteiten een sluipende fluwelen sovjetisering plaats. Niet Marx maar de markt dicteert de richting en distribueert de middelen. De sturing komt in handen van de buitenwacht en van de mode.

Het artikel over de gevaren van een marktgerichte wetenschap van Klaas Groenveld en Patrick van Schie in deze krant van 23 september legt de vinger op de rotte plek. Is het de eerste lentezwaluw aan de politieke hemel temidden van het papagaaienkoor over de 'ondernemende universiteit', 'maatschappelijk relevant onderzoek' en navenante slagwoorden, die we sedert jaren te horen krijgen? Alles pleegt in dit ondermaanse zijn oorzaak te hebben en natuurlijk is de reorganisatie-buikloop, waar de universiteiten nu al zo'n drie decennia aan lijden, niet bedacht door enkele onverlaten.

Aan het begin stond de democratiseringsbeweging van de jaren zestig. De ivoren-toren-universiteit die nog allereerst voor de betere standen toegankelijk was werd afgebroken. 'Hoger onderwijs voor allen' was het mooie devies. Daarbij werden echter sociale en kwalitatieve criteria in de idealistische opwinding verwisseld. Het gevolg was een explosieve groei en de huidige massa-universiteit, die verplicht werd geacht om iedereen toe te laten en aan een bul te helpen. Aangezien de universiteiten bij die enorme toeloop en bij de gelijktijdige democratisering van het bestuur uit hun voegen raakten, kwamen de hulptroepen van de democratisering aanzetten in de persoon van beleidsambtenaren die het heft in de hand namen. Aangezien de universiteiten inmiddels door de grootte en groei te duur werden (terwijl de maatschappij dat nieuwe leger van afgestudeerden helemaal niet kon onderbrengen), kwam de reactie en kwamen de onvermijdelijke bezuinigingen op dit uit de hand gelopen sociale en wetenschappelijke gëxperimenteer.

De klok kon natuurlijk niet worden teruggedraaid. Zo bleef het om politieke redenen bij massaal toegangsrecht. Maar om economische redenen moest dat uitdijende lichaam weer inkrimpen. Het snoeimes werd daarom niet aan de basis maar aan de top gehanteerd: geen selectie aan de poort maar kappen bij de uitgang en bij de wetenschappen zelf. Criterium werd niet de kwaliteit, maar het belang en het profijt voor de maatschappij. Om het slechte geweten en de verborgen onzekerheid te sussen werd vanaf dat moment op alle niveaus zoveel over kwaliteit geroepen als nooit te voren. Het vanzelfsprekende behoeft immers geen aankondiging met trompetgeschal. Maar vandaag is het niet alleen gewoon 'kwaliteit' maar allemaal 'hoogwaardige kwaliteit' wat er wordt aangeboden - althans in programma's en projecten. De visverkopers op de markt zijn er niets bij. Met dat verschil dat ze aanprijzen wat ze al hèbben gevangen en niet wat ze straks zùllen gaan vangen.

Laat er geen misverstand over bestaan: ik weet ook wel dat de samenleving meer direct belang heeft bij kankeronderzoek dan bij de studie van het Koptisch. Dat vakken die een handjevol belangstellenden trekken als het niet anders kan slechts op één plaats blijven gehandhaafd is logisch. Even logisch als dat het grote geld, zoals de huidige wereld in elkaar zit, niet naar de geesteswetenschappen gaat. Zodra het nut echter de enige maatstaf is, wordt de doodsklok geluid over de cultuur. Want ware cultuur beschermt het nutteloze als het onmisbare.

Maar de vraag is ook of het inderdaad niet anders kan. De bezuinigingen en reorganisaties gingen gepaard met een invasie van (soms dure) beleidsmedewerkers die enig belang hebben bij verdere reorganisatie, willen ze niet overbodig worden. Zonder hulp van de wetenschappers kon ook niet fatsoenlijk gereorganiseerd worden en dus werden de laatsten erbij betrokken, ten koste van hun eigenlijke werk. De geldkraan stroomde daarbij allereerst voor wat in de ogen van de overheid en markt onmisbaar en nuttig was. Nog veel erger was de kapitaalvernietiging ten gevolge van ondoordacht beleid (zoals bij tandheelkunde in Utrecht) en wilde omschakelingen, waarmee zowel ministers en bestuurders als inventieve vernieuwers goede sier wilden maken.

Dit heeft geleid tot de volgende situatie bij de huidige universiteit:

1. Er heeft zich een eigen beleidsesperanto ontwikkeld dat - bij het vanzelfsprekende gebrek van de bestuurders aan affiniteit met de wetenschappen zelf - de ignorantie en onzekerheid camoufleert achter een rookgordijn van nietszeggende woorden in gruwelijk Nederlands.

2. De manager mag zelfs geen affiniteit hebben met de wetenschappen, met de stof, wil hij instrument van het beleid blijven en niet besmet raken door het wetenschappelijke ethos.

3. Aangezien de wetenschappers afhankelijk zijn van overheid en management hebben ze dat beleidsesperanto overgenomen. Om begrijpelijk te worden voor de bureaucratie moeten ze alles daarin vertalen. Aanvragen en rapporten staan bol van imponeerjargon en gebakken lucht. Eerste stelregel daarbij is: strooi kwistig met termen als 'implementeren, strategie, analytisch instrumentarium'.

4. Om geld te werven moet men reclame maken en dat heeft het interessante effect dat men gelooft en geloven moet in de eigen reclame.

5. De verplichting tot een hoog onderwijsrendement heeft geleid tot een direct voorspelbare verlaging van de normen. Het is soms bij alle herkansingen al bijna onmogelijk geworden om een bul niet te bemachtigen.

6. Ministers en bestuurders komen met nieuwe ideeën, waar ze extra geld voor uittrekken ten koste van het gewone werk en onderwijs, dat zich niet leent voor spectaculaire daden.

Zwartgalligheid is natuurlijk een slechte raadgever. De universiteiten en hun huidige en vooral hun toekomstige studentenbevolking zijn weinig gebaat bij een jeremiade die zich beperkt tot het bekende cultuurpessimistische konterfeitsel van verval. Er is geen reden om aan te nemen dat het gemiddelde peil van de wetenschap lager ligt dan twintig, dertig jaar geleden. Elke generatie brengt talenten voort die zich uiteindelijk door de modderbrij van een op de markt en mode ingestelde mentaliteit naar boven weten te werken. Een verandering van denken is een langdurig proces. Ze is echter nodig, wil die bedoelde modderbrij niet al te veel talenten ontmoedigen, verstikken of besmetten. Selectie aan de poort, kleinere universiteiten en universiteiten vooral, die niet voor hun bestaan zijn aangewezen op wat politiek en buitenwacht op grond van de waan van de dag van hen verlangen, lijken twee eerste belangrijke openingen. Volstrekte utopie? Soms is het utopische de kiem van noodzakelijke veranderingen.