Zingende geesten; BOUDEWIJN WALRAVEN OVER DE OPBLOEI VAN HET KOREAANSE SJAMANISME

Eeuwenlang heeft het sjamanisme in Korea in het verdomhoekje gezeten. Tegenwoordig bloeit het in de grote stad en is er waardering van de kant van intellectuelen. 'In het sjamanisme wortelt de onderliggende kracht van de Koreaanse cultuur.'

'ER ZIJN MOMENTEN dat veel mensen in Korea, ook academici, zeggen: 'dat sjamanisme, daar zit wat in'. Neem de dood van de Noord-Koreaanse leider Kim Il-song. In mei 1994, een paar maanden voor zijn overlijden, publiceerde het toonaangevende Koreaanse maandblad Wolgan Choson een artikel met uitspraken van allerhande waarzeggers over wat dat jaar te gebeuren stond. Twee sjamanen voorspelden correct Kims einde, toen het zover was promoveerden ze in één klap tot nationale beroemdheid. Een van hen, Sim Chin-song, is tot ver na 2000 volgeboekt en van haar autobiografie, Een vrouw uitverkoren door de goden, zijn meer dan een miljoen exemplaren verkocht.''

In het Arsenaal, voormalig Leids wapendepot en sinds de restauratie het fraaie onderkomen van de studies Chinees, Japans en Koreaans, heeft Boudewijn Walraven zijn gemakkelijke stoelen in de tentamenstand staan. Aan de wanden kleurige waaiers die gasten uit Korea hebben achtergelaten en een vaantje uit 1974 van de Universiteit van Seoel - herinnering aan een (vergeefse) poging om na zes weken lidmaatschap van een Koreaanse taekwondostudentenvereniging een plank in tweeën te trappen. Als enige hoogleraar Koreaanse talen en culturen in Nederland staat Walraven aan het hoofd van een kleine opleiding die per jaar zo'n vijftien studenten trekt - een deel is in Korea geboren en kwam als adoptiekind naar Nederland. “Gezien het economische belang van Korea zouden dat er best meer kunnen zijn.”

Koreaanse taal en cultuur, sinds 1989 een zelfstandige studie, kreeg in 1994 een aparte hoogleraar. Dat is een direct gevolg van het extra geld dat de commissie-Staal voor de Kleine Letteren in Zoetermeer lospeuterde. Taalkennis is de basis voor de studie van alle mogelijke aspecten van het oude én moderne Korea, zoals geschiedenis, literatuur, economie en recht. Grammaticaal is Koreaans nauw verwant aan het Japans, maar de overeenkomst in vocabulaire beperkt zich tot 200 à 300 woorden. Cultureel valt Korea onder de Chinese invloedssfeer, al legt het eigen accenten. Confucianisme en boeddhisme, beide uit China afkomstig, drukken een stevig stempel. Al beschikken de Koreanen sinds 1444 over een eigen alfabet, tot bijna in deze eeuw schreven ze hun geschiedwerken in het Chinees. Lange tijd heeft Korea zich voor westerse invloeden afgesloten, tot Japan in 1876 het land dwong havens open te stellen. Van 1910 tot 1945 was het land een Japanse kolonie. Sinds de Koreaanse Oorlog (1950-1953) fungeert de achtendertigste breedtegraad als grens tussen Noord- en Zuid-Korea.

MINIEM

In 1965 begon Walraven in Leiden met Japans. Het aantal studenten was miniem: alle hoofdvakkers bij elkaar zo'n zes - in de jaren tachtig, tijdperk van expansie, meldden zich 120 à 130 eerstejaars - en veel colleges waren tevens voor sinologen. Walraven: “Ik was me op het gymnasium gaan interesseren voor boeddhisme en hield van niet-westerse kunst, Japanse prenten in het bijzonder. Mijn vader, die bij Buitenlandse Zaken werkte, kende de oude Van Gulik, van de Rechter Tie-verhalen, en samen zijn we bij hem op bezoek gegaan om over mijn studieplannen te praten. Van Gulik moedigde me aan Japans te gaan studeren.”

Met Koreaans maakte Walraven kennis in zijn tweede jaar. Frits Vos, in Leiden zijn leermeester, had zich de taal op eigen initiatief eigen gemaakt en vroeg de japanologen of ze niet ook een uurtje Koreaans wilden doen. Dat beviel, en na zijn kandidaats stapte Walraven over. Walraven: “Het sjamanisme, met zijn rituelen vol goden en geesten, werd mijn grote interesse. Dat de bestaande literatuur over dit oude volksgeloof voor een groot deel in het Japans was, kwam mij eigenlijk goed uit: die taal beheerste ik op dat moment stukken beter dan het Koreaans.”

Via Vos kwam Walraven aan twee boeken met muga, sjamanistische liederen. De mudang, de sjamanistische priesteres die ten behoeve van cliënten in contact treedt met goden en geesten, zingt ze tijdens rituele bijeenkomsten. Walraven: “Die liederen leken me een mooi promotieonderwerp, al kostte het de nodige moeite erdoorheen te ploegen. Toen ik ze liet lezen aan Koreanen die op bezoek waren, begrepen zij er ook niet veel van. Zonder kennis van andere oude genres in de Koreaanse literatuur kom je er niet uit.”

KOLONISATOREN

De confucianisten van het traditionele Korea, de Japanse kolonisatoren en moderne, 'verlichte' intellectuelen hebben steeds het sjamanisme voorgesteld als iets achterlijks, iets dat hoorde bij de uithoeken van het platteland, waar de beschaving nog niet was doorgedrongen. Maar, zo merkte Walraven, tegenwoordig bloeit het juist in de grote stad. “Eeuwenlang heeft het sjamanisme in het verdomhoekje gezeten en is het door de elite van confucianisten onderdrukt. Later hebben christenen die afkeer overgenomen. Toch waarderen veel intellectuelen die het sjamanisme voelen als de roots van de Koreaanse cultuur, juist het primitieve, rurale aspect. Koreanen voelen zich op de een of andere manier verbonden met het sjamanisme. Er is een film van Im Kwontalk, een bekend Koreaanse regisseur, over een journalist die zijn sjamanistische roeping ontdekt en gaandeweg accepteert. 'Wacht maar, ook jij hebt het in je', zegt hij op het eind van de film tegen zijn woedende christelijke echtgenote. 'Je bent Koreaanse.' Wat in het begin een familiekwestie leek, omdat de moeder van de journalist een sjamaan was, zit opeens alle Koreanen in het bloed. In het sjamanisme, zo is de boodschap, wortelt de onderliggende kracht van de Koreaanse cultuur.”

Sjamanisme is als volksgeloof stokoud. In Siberië en Mantsjoerije, met zijn kleine gemeenschappen van jagers en nomadische veehouders, speelde de sjamaan lang een leidende rol. Maar in Korea zette zich duizend jaar geleden de neergang in. Walraven: “De boeddhistische en confucianistische bovenlaag, die een Chinese schriftcultuur met bijbehorende examens ontwikkelde, moest niets hebben van ongeletterde sjamanen die zonder diploma rechtstreeks toegang tot de goden en geesten hadden, van boven een ingeving kregen en vertelden hoe het moest. Die repressie heeft het Koreaanse sjamanisme in een hoek gedreven, maar als onderstroom leeft het voort. Tegenwoordig is de sjamaan meestal vrouw en vooral vrouwen zoeken haar hulp.”

Wel heeft het sjamanisme zich aangepast aan de eisen van de moderne Koreaanse maatschappij. Altijd is de mudang bereid nieuwe goden of geesten aan het toch al ruim bevolkte pantheon toe te voegen, zoals VN-opperbevelhebber MacArthur na de Koreaanse oorlog, of de in 1979 vermoorde president Park Chung-Hee. Walraven: “Op de bergen rondom Seoel staan op heilige plaatsen tempeltjes waar de mudang haar rituelen uitvoert. Sommige hebben meerdere verdiepingen en zijn gebouwd in opdracht van een associatie van sjamanen. Namen de rituelen vroeger vier dagen in beslag en gingen ze 's nachts gewoon door, nu speelt alles zich overdag af tussen tien en zes. Zo ontregelen ze niet het moderne levensritme van de deelnemers.”

De massaliteit van de grote stad biedt de mudang een zekere vrijheid, op het platteland is ze kwetsbaarder. Walraven: “In de jaren zeventig zag je twee invloeden tegelijk. Aan de ene kant had je de 'nieuwe dorpsbeweging', waarmee de regering het platteland in zijn ontwikkeling wilde stimuleren. In die campagne paste het uitroeien van alle bijgeloof. Dus moest de changsung verdwijnen, een soort totempaal bij de ingang van het dorp en een bovennatuurlijke beschermer van de gemeenschap. Maar nog voor de dorpelingen hun aarzeling over deze oekaze konden overwinnen, kwamen er vanuit het Ministerie van Cultuur ambtenaren op bezoek die tot taak hadden het nationale cultuurgoed te beschermen. De paal was gered. Ook heeft de regering sjamanen aangewezen als hoeders van traditioneel cultuurgoed. Op festivals voeren ze rituelen uit, op televisie vertellen ze als superstar over hun leven en in het buitenland tonen ze wat de authentieke Koreaanse cultuur inhoudt.”

De idee dat sjamanen ongeletterd zijn, klopt niet langer. In de jaren zeventig diende zich de eerste mudang aan met een academische graad en één heeft onlangs een boek geschreven waarin ze voorstelt een sjamanistische universiteit op te richten. Walraven: “Zover is het nog niet, maar avondscholen zijn er wel degelijk. Traditioneel zoekt een aankomende mudang, nadat ze de roeping heeft ontvangen, contact met een oudere sjamaan om in een soort moeder-dochter relatie zich de rituelen en teksten eigen te maken. In de grote stad, waar de sociale relaties losser zijn, is een gestructureerde opleiding een gat in de markt. Ook ken ik een mudang die thuis een kast vol video's heeft staan met opnames van sessies van collega's. Anderen bestuderen academische verzamelbundels met sjamanistische liederen en voorzien die van aantekeningen.”

Eenmaal in de ban van de muga, greep Walraven in 1973 met beide handen de kans aan om met een beurs van de Koreaanse overheid twee jaar aan de Universiteit van Seoel te studeren. “Met een enorme koffer meldde ik me op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet wetend waar ik naartoe moest. Uiteindelijk kreeg ik onderdak in het gezin van een Koreaanse bioloog, die kinderen in het buitenland had en graag iets terug wilde doen. Ik ben er fantastisch verzorgd, geen cent hoefde ik te betalen. Koreanen zijn opener dan Japanners en hoewel ze in hun sociale relaties de confrontatie niet uit de weg gaan, zijn ze ook ontzettend hartelijk en loyaal. Waar ik echt aan moest wennen, was het stevige Koreaanse ontbijt: gefermenteerde kool, vis, rijst en - omdat ze goed voor me wilden zorgen - ook nog een halve liter melk en een paar spiegeleieren. En dan maar kijken of ik voldoende at. Wanhoop bekroop me als ik al dat eten op tafel zag.”

Walravens taalvaardigheid was bij aankomst in Seoel gering, de simpelste dingen verstond hij niet. “Met een uurtje per week conversatieles, alles wat er in die tijd in Leiden gegeven werd, kom je niet ver”, zegt hij. Na een talencursus ging het beter, maar bij zijn eerste bezoek aan een mudang begreep Walraven lang niet alles wat er om hem heen gebeurde. “Die rituele liederen zijn ingewikkeld en zitten vol archaïsche termen. Maar je geeft je ogen goed de kost en altijd is er wel iemand bereid uitleg te geven. Soms voelde ik me opgelaten bij zo'n particulier familieritueel, maar ik kon toch mijn gang gaan. Koreanen hebben een ander idee van privacy dan wij - als je op een bankje in het park een brief leest, vinden ze het heel normaal over je schouder mee te kijken. En wetenschap geniet er respect.”

In het sjamanistische ritueel dalen de goden en geesten om beurten neer in het lichaam van de mudang. Omdat hun ontstemming en wrok aanleiding geven tot ziekte, dood en ander onheil, is het zaak uit te vinden wat eraan schort en ze te verzoenen. Bij ziekte worden symbolisch kwaden uit het lichaam gehaald, soms op een kip overgedragen en naar buiten gesmeten. Op andere momenten breekt de spanning en ontvouwt zich een rituele mengeling van ernst en spel. Zo gedraagt de god van de welstand zich bij monde van de mudang als een ouderwets soort magistraat: streng en belust op materieel voordeel. 'Wat is dit voor een armzalige offerande', klaagt hij stereotiep. 'Maar we hebben het met het vliegtuig uit Amerika gehaald', verweert de familie zich en tijdens dat steekspel wordt er flink gelachen.

Walraven: “Door de mond van de sjamaan kunnen geesten flink afreageren. In een dodenritueel om een pas gestorven familielid leidt dat tot ongebreidelde emoties en heftige gevoelsuitbarstingen. Vaak begint de gestorvene met het uiten van onvrede. 'Waarom hebben jullie dit of dat niet voor mij gedaan?' Ik heb met eigen ogen gezien hoe de mudang in wie de grootmoeder was neergedaald begon te huilen, waarna de dochter en de kleindochters geroerd haar handen streelden en indringend met haar spraken - bijna echt. In zekere zin ís het echt. 'Geloof jij erin', willen mijn studenten altijd weten, 'komen die geesten echt?' 'Dat doet er niet toe', zeg ik dan, 'het wérkt.' Kijk hoe mensen in het westen geloven. Is die hostie werkelijk het lichaam van Christus? De mensen weten dat het niet zo is maar ze geloven van wel. Of vergelijk zo'n sessie bij de mudang met een rollenspel: we weten dat het niet de werkelijkheid is en toch komen er emoties los.”

Bij ziekte ga je niet meteen naar de sjamaan, die komt pas in beeld als de dokter of apotheker niet helpen. Walraven: “De mudang figureert als laatste redmiddel. Eerst zoek je haar thuis op. Met wichelen probeert ze de oorzaak van de ziekte op het spoor te komen. Misschien is bijvoorbeeld een broer van de vader van de zieke tijdens de Koreaanse Oorlog op een gruwelijke manier omgekomen en heeft de familie daar niets aan gedaan, zodat zijn geest vertoornd is geraakt. Al naar gelang de diagnose kan het vervolg een grootscheeps ritueel zijn, in een tempeltje in bijzijn van de familie. In zo'n sessie komt een pantheon aan goden en geesten opdraven, ieder op zijn beurt. Toen op een keer de geest van een overledene over de nalatenschap begon, griste een familielid me mijn blocnote uit handen om notities te maken.”

In 1985 promoveerde Walraven op het proefschrift Muga: The Songs of Korean Shamanism. Ook daarna bleef het onderwerp hem boeien. “In de Koreaanse geschiedenis is het een levenskrachtige onderstroom. Sjamanisme hoort bij de moderne samenleving, het is een actueel onderwerp. Wie zich ermee bezighoudt is geen oriëntalist met een hang naar het obsolete en archaïsche. Sjamanisme wordt ook opgepikt in de moderne kunst: schrijvers laten zich erdoor inspireren, toneelmakers benutten zijn mogelijkheden tot symboliek. In Leiden zag ik hoe een Koreaans gezelschap tijdens Hamlet met lange banen stof de weg naar de dodenwereld uitdrukte: rechtstreeks ontleend aan een sjamanistisch ritueel. Of neem de studentendemonstraties van de jaren tachtig. Veel opgekropte frustratie is toen vertaald in sjamanistische symboliek. Zo werden tijdens demonstraties aan het sjamanisme ontleende dansen uitgevoerd om de frustratie - de han in het sjamanistische ritueel - van de onderdrukte massa aanschouwelijk te maken en weg te nemen.”

AFWISSELING

Ter afwisseling van zijn academische artikelen en zijn taken als hoogleraar vertaalt Walraven voor Poetry International zo nu en dan Koreaanse dichters. In de Oosterse Bibliotheek is hij aanwezig met de verhalenbundel De redder der armen. Ieder jaar reist hij als het even kan naar Korea, op zoek naar oude plaatsen en nieuwe ontwikkelingen. Walraven: “Wellicht krijg ik binnenkort de gelegenheid weer eens voor langere tijd veldwerk te doen. Zo probeer ik voor de periode 1850-1950 in kaart te brengen waar in Seoel de tempels stonden en welke religieuze handelingen de mensen er verrichtten. Veel tempels lagen aan de rivier en de activiteiten van de sjamaan stonden waarschijnlijk in dienst van kooplui die gebruik maakten van de rivier als transportroute. Het zoeken is naar materiaal dat hier licht op kan werpen.”

Intussen treft de onderzoeker in de Koreaanse boekhandel steeds meer egodocumenten aan waarin de mudang zelf het woord neemt. Sim Chin-song, die eerst een dansopleiding volgde, merkt in Een vrouw uitverkoren door de goden terecht op dat louter het feit dat een maandblad als Wolgan Choson haar mening vraagt, al een bewijs is van de toegenomen status van het Koreaanse sjamanisme. In haar boek schrijft een emeritus hoogleraar het nawoord en om te illustreren hoe ver haar wereld verwijderd is geraakt van het achterlijke platteland, spreekt ze zelf over ecstasy, animism, rites de passage en Weltraum en haalt ze grootheden aan als Hesiodus, Albert Camus en Tagore. Tot besluit waagt ze zich aan nationale kwesties als de hereniging met het Noorden ('niet voor 2000') en de groei van de Koreaanse economie. Walraven: “Daarmee betreedt Sim Chin-song terrein waar de mudang zich traditioneel niet waagde. Ze concurreert als het ware met de Gallup Polls. Sjamanisme blijft boeien. Het weerspiegelt voortdurend de veranderingen in de maatschappij. Bovendien bieden de rituelen een gelegenheid om heel direct in aanraking te komen met de problemen waarmee de mensen zich in de moderne Koreaanse samenleving zien geconfronteerd.”

Bovenstand verhaal vormt een hoofdstuk uit het zojuist bij uitgeverij Bulaaq verschenen 'De wijde wereld van de Kleine Talen: 25 portretten', door Dirk van Delft. Geïllustreerd, 280 blz., prijs: ƒ 38,50. ISBN 90 5460 040 3. Ter afsluiting van de Wetenschap & TechniekWeek, op zondag 11 oktober, houden drie geportretteerden in het Tropenmuseum in Amsterdam een lezing voor een breed publiek. Programma: 13.00 uur - 'Oosterse handschriften' door dr. J.J. Witkam; 14.15 uur - 'Talen van de Himalaya' door dr. G. van Driem; 15.30 uur - 'Taal in Turkije' door prof.dr. E.J. Zürcher.