Roomse paap'm

Aan het eind van de Geerdijk lag de brug over het Overijssels Kanaal. Links van de brug stond vroeger mijn (Katholieke) Lagere School. Rechts was de Openbare School. Met deze school verkeerden we, als leerlingen tenminste, voortdurend op voet van oorlog. Dit gold ook voor de andere Openbare School en voor de Gereformeerde en de Hervormde School.

Ik kan me niet herinneren dat ouders of leerkrachten dit afkeurden of ontmoedigden, integendeel zelfs. We zaten midden in de verzuiling en de Koude Oorlog. 'Openbaren' waren gevaarlijke communisten en op de aanplakbiljetten van de PvdA schreven we: 'Op de kale kop van Drees, hoald de vlooi'n motorrace'. Waarop de ongelovige honden reageerden met 'Romme Potverdomme', of nog erger, op de KVP-affiches.

Tijdens confrontaties met de andere scholen, soms ontaardend in ware straatgevechten, werden er over en weer spotliedjes ten gehore gebracht. Ik herinner me er nog twee die tegen ons katholieken waren gericht:

'Roomse paap'm klim'n as aap'm in de hoogste boom'n om bij Maria te koom'n daar trekk'n ze aan de bel en donder'n op de kop in de hel'

'Roomse poep'm lust gien soep'm lust gien spek douw ze ma 'n rauwe eerappel in de bek'

(Wanneer iemand zich nog meer van deze spotversjes herinnert zou ik dat graag horen.)

Een ander vast programmapunt in het schoolleven destijds was het biechten. Eens in de twee weken geloof ik werden we klasgewijs afgemarcheerd naar de kerk en in de achterste banken geparkeerd in afwachting van de pastoor of van een pater uit Zenderen. Het Carmelietenklooster aldaar beschikte toen nog over een schier onuitputtelijke voorraad biechtvaders, predikers en leraren.

Vooral in het begin van de zomer en in de vroege herfst wanneer het fruit in de tuin van de pastoor rijp was, was het zaak zoveel mogelijk vooraan te zitten om na het biechten als eerste te kunnen genieten van Gods gulle gaven.

Zodra de meester of juffrouw de kerk had verlaten barstte het gevecht om de eerste plaatsen los. Het gebeurde zelfs dat je in de biechtstoel nog een trap na kreeg.

Eenmaal op je knieën in het donkere hokje murmelde je op de zelfde toon als de pastoor of pater achter de houten tralies je zonden op. 'Ruzie gemaakt met broertje of zusje, appels gejat uit de tuin van vrouw huppeldepup' enz..

Soms zocht je, om wat variatie aan te brengen in het zondepakket, in het kerkboek naar nieuwe mogelijkheden. Toen ik als tienjarige eens overspel bekende werd mij dit even zwaar aangerekend als het snoepen uit de suikerpot: vijf Onze Vaders en drie Weesgegroetjes.