'Redelijk inzetbaar'; Overlevenden van de Jappenkampen moesten meteen weer vechten

Eerst waren ze drie jaar krijgs- gevangenen van de Japanners. En na de capitulatie mochten ze niet naar huis. Ze kregen orders van de toenmalige Nederlandse regering om te vechten voor Nederlands-Indië - hoe slecht zij er ook aan toe waren. 'Iedereen heeft het altijd stil willen houden.'

Van achtduizend Nederlanders en Indische Nederlanders die in Jappen-kampen zaten, is bekend wat er met ze gebeurde. Ze overleefden het niet. Maar de Japanners lieten na de capitulatie nog 34.000 krijgsgevangenen achter in de kampen, onder wie een groot aantal dienstplichtige KNIL-soldaten.

Op de avond van de vijftiende augustus 1945 werden de gevangenen van het Japanse kamp in Bangkok bij elkaar geroepen. De kampcommandant deelde hun kortweg mee dat het land van de rijzende zon had gecapituleerd. De Nederlandse krijgsgevangenen waren vrij. “Maar denk maar niet dat wij wisten wat dat betekende”, vertelt Bas Beem (Yogjakarta 1922). “We bleven gewoon waar we waren.”

Net als hun Britse en Australische lotgenoten waren de Nederlandse krijgsgevangenen over heel Azië verspreid geraakt: in kampen in Thailand, Singapore en zuidelijk Indo-China. Ongeveer 9.000 Nederlandse krijgsgevangenen bevonden zich na de Japanse overgave nog in de Indonesische archipel; 7.500 waren in Japan terechtgekomen. De Britse en Australische krijgsgevangenen werden in fases gerepatrieerd - voor hen zat de oorlog er op. Maar de Nederlandse krijgsgevangenen bleven in de kampen. Ze werden opnieuw gekeurd, bewapend en getraind en werden teruggestuurd naar Nederlands-Indië. Daar raakten ze verzeild in het militaire geweld van de politionele acties. De meeste van hen werden pas drie jaar later gedemobiliseerd.

Bas Beem werd in 1940 als dienstplichtig soldaat opgeroepen voor het KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Als krijgsgevangene van de Japanners had hij drie jaar lang aan de beruchte Birma-spoorlijn moeten werken. In het krijgsgevangenenkamp in Bangkok, waar hij naderhand terechtkwam, moest hij gewonden verplegen. “Veel stelde dat niet voor. Je stelde vast wat iemand had, beri-beri of gele koorts. Je bond een lapje om een wond. Als verbandmiddel gebruikten we oude kleding. Medicijnen waren er al helemaal niet.”

Beem leed zelf aan Neuritus Bulbaris, een infectie aan de zenuwen van het netvlies, veroorzaakt door vitaminegebrek en ondervoeding. De ziekte had zijn gezichtsvermogen ernstig aangetast. Het belette hem niet zijn werk te doen: “Je moest je hoofd dan maar wat dichter bij de patiënt houden.”

Dienstplichtig soldaat Ruud Spangenberg (Batavia 1922) zat in een kamp bij Banpong, op enkele honderden kilometers van Bangkok, toen Japan capituleerde. Tijdens het werk aan de Birmaspoorweg had een Japanse soldaat hem zo erg mishandeld dat zijn rug was gebroken. De breuk is nooit helemaal geheeld: tegenwoordig krijgt Spangenberg een uitkering als oorlogsinvalide.

Over de militaire inzet van de ex-krijgsgevangenen na de oorlog is heel weinig bekend. Spangenberg weet waarom: “Iedereen heeft het altijd stil willen houden. In wezen is het onmenselijk wat er gebeurd is. De meeste krijgsgevangenen konden nog maar nauwelijks op hun benen staan. Bij de militaire keuring vertelden de Nederlandse artsen me dat ik de zestig wel niet zou halen, met die rug. Maar ik werd wel goedgekeurd.”

Historica Petra Groen, hoogleraar militaire geschiedenis in Leiden en verbonden aan de sectie militaire geschiedenis van de landmacht, noemt het 'frappant' dat KNIL-militairen die meer dan drie jaar krijgsgevangen waren geweest, vrijwel direct opnieuw werden ingezet. Groen stuitte bij toeval op dit onderwerp toen zij onderzoek deed naar de interneringskampen voor vrouwen op midden-Java in de maanden na de Japanse capitulatie.

Rijksbelang

Al in de eerste weken na de capitulatie circuleerden er in de gevangenkampen in Thailand geruchten over de chaotische situatie in Nederlands-Indië, waar radicale jongeren, de pemuda's, alles te lijf gingen wat niet Indonesisch was. Spangenberg: “Je hoorde dat de geallieerden er waren, maar dat het er niet veilig was. Toen wisten we al dat we niet een, twee drie naar huis zouden kunnen.”

Pas ruim een maand na de Japanse overgave, op 29 september, waren de eerste Britse troepen op Java geland. Soekarno en Hatta hadden inmiddels de Republik Indonesia uitgeroepen - dankbaar gebruikmakend van het ontstane machtsvacuüm. De Britse bevelhebber Mountbatten had weinig zin om voor de Nederlanders een koloniale oorlog te voeren en beperkte de Britse aanwezigheid tot Batavia, Surabaja, Palembang en andere grote steden op Java en Sumatra. De Britten zouden vanuit deze bruggenhoofden de Nederlandse burgers bijstaan die in de kampen geïnterneerd waren en de Japanners evacueren. De Nederlanders moesten zelf het gezag in de archipel zien te herstellen.

De vraag was wie dat zou moeten doen. De enige Nederlandse 'militairen' in Azië zaten in de kampen. Al in september 1945 maakte de naar Australië uitgeweken Nederlands-Indische regering daarom duidelijk dat van demobilisatie van de KNIL-militairen geen sprake kon zijn. Ex-krijgsgevangenen als Bas Beem en Ruud Spangenberg waren hard nodig om de Nederlandse soevereiniteit in Indonesië te herstellen. Maar waren de ex-krijgsgevangenen in de kampen wel geschikt voor militaire dienst na drie jaar van ontberingen?

Volgens de Nederlandse militaire geneeskundige dienst, die in het najaar van 1945 met keuringen begon, wel. “De militaire geneeskundige rapporten stellen dat de meeste krijgsgevangenen 'redelijk inzetbaar' waren”, zegt Petra Groen. “Wel maakten de Nederlandse artsen zich zorgen over de psychische gesteldheid van de troep. In hun rapporten waren ze daar echter vaag over, die waren natuurlijk gekleurd.”

Groen heeft uit het beschikbare archiefmateriaal niet precies kunnen reconstrueren hoeveel krijgsgevangenen werden afgekeurd, en hoeveel geschikt werden bevonden voor militaire dienst. De keuringen hadden in ieder geval een slechte naam, vooral in Thailand. Het hoofd van de Nederlandse militaire geneeskundige dienst, die op onderzoek werd uitgestuurd, concludeerde in februari 1946: “De belangen van het rijk worden naast die der patiënten scherp in het oog gehouden.”

Vaak gaf het rijksbelang de doorslag. Bas Beem werkte in het najaar van 1945 in een Brits militair hospitaal in Chulu Langkorn, vlak bij Bangkok. Maar het Nederlandse leger had ook verplegers nodig. “Een Nederlandse arts vroeg hoe ik me voelde. 'Goed', zei ik. Later bleek dat de medische keuring te zijn geweest.”

De goedgekeurde krijgsgevangenen werden ingedeeld in nieuwe eenheden en getraind door Britse en uit Australië overgekomen Nederlandse officieren. Ook in Indonesië zelf begonnen voormalige KNIL-militairen zich weer te organiseren. De Nederlanders die in Japan waren terechtgekomen, werden door de Amerikanen overgebracht naar de Filippijnen. De bewapening en uitrusting was vaak schamel. Hier en daar moesten de troepen het doen met Japanse afdankertjes.

Bas Beem werd als gewondenverpleger ingedeeld bij Infanterie-bataljons in Banpong. Hij had er weinig trek in: “Ik was weer terug in het Jappenkamp. De omstandigheden waren nauwelijks verbeterd. We sliepen op een klein matrasje, in dezelfde barakken.”

Onderzoeker Petra Groen stelt dat de omstandigheden waaronder de ex-krijgsgevangenen moesten leven 'tamelijk schamel' waren. “Fatsoenlijke huisvesting, kleding en behoorlijke betaling had geen prioriteit voor de Nederlandse regering. In Nederland zorgde dat voor commotie; er werden Kamervragen over gesteld. Koningin Wilhelmina informeerde naar de situatie van de krijgsgevangenen. Maar de Nederlandse regering zat gewoon te krap bij kas, zo vlak na de oorlog.”

Bas Beems verblijf in het trainingskamp in Banpong duurde maar drie weken. Het Nederlandse Medische Hoofdkwartier in Bangkok had besloten dat hij nuttiger zou zijn in de Thaise hoofdstad. In juli 1946 werd hij gerepatrieerd naar Nederland.

Ruud Spangenberg bleef bij het elfde bataljon in Banpong, hoewel zijn vader uit Batavia rekest op rekest schreef om zijn zoon uit militaire dienst te krijgen. Spangenberg wijt het aan de klassenmaatschappij van de koloniale samenleving: “Een slapie van me mocht naar Nederland om te gaan studeren. Maar goed, hij was officier. Ik was soldaat, en Indische Nederlander bovendien.”

Oogziekte

De meeste Nederlandse ex-krijgsgevangenen waren - anders dan Bas Beem en Ruud Spangenberg - tot op het bot gemotiveerd om te vechten voor Nederlands-Indië. Velen van hen waren nog nooit in Nederland geweest: Indië was hun vaderland, en dat werd nu bedreigd. Bovendien maakten de mannen zich grote zorgen om hun vrouwen en kinderen die daar achter waren gebleven. Ze wilden naar huis, desnoods met het geweer in de hand. “Iedereen wilde zo snel mogelijk terug”, zegt Beem. “Ik niet. Ik zat immers met die oogziekte. Daar was erg weinig begrip voor.”

Tot twee keer toe kregen de krijgsgevangenen te horen dat ze op Java zouden worden ingezet, maar telkens weer werd de operatie afgeblazen. De Britse bevelhebber Mountbatten vreesde dat de aanwezigheid van Nederlandse militairen het revolutionaire vuur alleen maar zou opstoken en weigerde ze toe te laten. Uiteindelijk gaf hij eind februari 1946 toestemming tot het landen van troepen, omdat een akkoord tussen Nederland en de Republiek op handen leek.

De Nederlandse regering had intussen besloten dat Java, het kerngebied van de Indonesische archipel, het best door fitte, uit Nederland afkomstige oorlogsvrijwilligers kon worden bezet. Verreweg de meeste ex-krijgsgevangenen waren afkomstig van Java, maar gingen daar dus niet naar toe. Ze moesten de klus in de relatief 'veilige' buitengewesten klaren. De bataljons in Banpong waren inmiddels samengevoegd tot een brigade van 2.100 man onder de naam Gadja Merah - 'rode olifant' in het Maleis. De naam was een verwijzing naar de herkomst van de brigade: de olifant is het koninklijke wapen van Siam (Thailand). Op 7 maart 1946 werd de Gadja Merah-brigade verscheept naar Bali. Vanuit Bali werd op 25 maart ook op het naburige eiland Lombok geland.

De landing op Bali verliep zonder problemen, vertelt Spangenberg: “Er was niets aan. De problemen kwamen later, in april.” Toen de soldaten van de Gadja Merah na een aantal weken het binnenland onder controle probeerden te krijgen, kwamen ze terecht in het type guerrilla-oorlog waarmee alle Nederlandse militairen tijdens het conflict in Indonesië te maken kregen. De mannen van de Gadja Merah kregen tijdens hun patrouilles de vijand nauwelijks te zien. Wel werden ze vanuit hinderlagen beschoten. Groen: “Bali gold medio '46 als bepaald gevaarlijk gebied. Het was beslist geen vakantie-eiland.”

In oktober 1946 werd de Gadja Merah overgebracht naar Zuid-Sumatra. Daar werd de eenheid opgelost in de Y-brigade, die bestond uit militairen uit Nederland. Spangenberg maakte op Sumatra de Eerste Politionele actie mee en gaf zich op voor de Inlichtingendienst, die 'verkenningstochten' achter de vijandelijke linies uitvoerde. Spangenberg: “Ik dacht, als ik dan toch iets moet doen, doe ik het meteen goed.”

School-Nederlands

Toch had Spangenberg geen idee waarvoor hij nu eigenlijk zijn leven waagde. Op een nacht overviel Spangenbergs eenheid op Sumatra een kampong, en maakte krijgsgevangenen, die bij elkaar werden gedreven in een hut. In het licht van een olielamp ontdekte Spangenberg een officier van het Indonesische leger die hem bekend voorkwam: “Ik zie hem nog staan. Het was Loera Abdoel Wakap, een vroegere klasgenoot van de Hogere Burgerschool in Batavia. 'Wat doe jij hier', riep ik stomverbaasd tegen hem. 'Ach Ruud' zei hij: 'Ik doe ook gewoon mijn plicht.' Zijn school-Nederlands was verzorgder dan dat van mijn medesoldaten.”

Spangenberg heeft nog steeds gemengde gevoelens over het verleden. Met een cynische blik in de ogen haalt hij een akte tevoorschijn. Het is een tevredenheidsbetuiging van het leger uit 1949. Wat klopt hier niet aan? Na enige tijd geeft Spangenberg zelf maar het antwoord: “Van de afkorting KNIL hebben ze Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger gemaakt. Een beter symbool voor de verloren strijd is er niet. Ik moet mijn militaire pensioen dus halen bij het Indonesische leger.”

“Over de inzet van de ex-krijgsgevangen is nooit gediscussieerd”, zegt onderzoeker Groen. “Het stond na de oorlog voor iedereen vast dat Nederlanders de rust en orde - met andere woorden, de oude machtsverhoudingen - in Indië gingen herstellen. Daarvoor gingen er eerst oorlogsvrijwilligers uit Nederland naar Indonesië, later werden er dienstplichtigen gestuurd. Dat de oud-militairen van het KNIL zouden worden ingezet, werd helemaal als vanzelfsprekend beschouwd.”

Volgens Groen was de inzet van krijgsgevangen in militair opzicht “onverstandig”. Het vellen van een moreel oordeel vindt ze moeilijker: “Tegenwoordig vinden we het onvoorstelbaar dat militairen die drie jaar onder onmenselijke omstandigheden krijgsgevangen zijn geweest, meteen weer zijn ingezet. Maar we leven nu in een maatschappij waar al meer dan vijftig jaar vrede heerst. Toen was er chaos. Iedereen werd geacht offers te brengen.”