Oude meester geeft les in snijden en overhouden

Onder toeziend oog van Christ van der Smissen (44) debuteerden deze week drie jonge driebanders bij het wereldbekertoernooi in Oosterhout. De jeugd heeft de oude leerschool afgezworen. Nooit meer bandstoten, nooit meer kaderspelen.

OOSTERHOUT, 3 OKT. Hij kreeg op zijn achtste een tafelbiljart van Sinterklaas. Begon op zijn veertiende aan de wedstrijdsport. Werd op zijn negentiende Europees kampioen bandstoten. Hij was een natuurtalent, zegt hij zelf. Hij streelde de keu. Turend achter een paar grote brillenglazen stond hij laconiek achter de tafel. Hij volgde de klassieke biljartopleiding. Via het kleine spel op de kleine tafel naar het grote spel op de grote tafel. Maar het grote geld was nooit besteed aan Christ van der Smissen.

“Ik ben nooit anders gewend geweest”, zegt de 44-jarige bondscoach in cultureel centrum De Bussel in Oosterhout. Hij zit deze middag in de nok van de theaterzaal en maakt driftig aantekeningen in een notitieblokje. Elke poedel (puntloze beurt) krijgt een speciale vermelding. Na afloop analyseert hij de partijen met zijn drie pupillen. Arno Peterson, Jean van Erp en Huub Wilkowski luisteren naar zijn uitleg en beloven beterschap. Ze dragen moderne kapsels en moderne kleding. Ze beantwoorden geenszins aan het stoffige imago van de biljartsport. Ze werken niet in een bruin café, maar in een grand café. In hun vrijetijd staan ze boven het blauwe laken.

Van der Smissen maakt ook als trainer een onverstoorbare indruk. Zijn bril heeft plaatsgemaakt voor contactlenzen. Zijn Brabantse tongval is onveranderd. Hij is in meerdere opzichten een biljarter van de oude stempel. “Niemand voorspelde dat driebanden zo'n grote toekomst zou hebben. Achteraf bezien had ik eerder moeten overstappen. Dan had ik een goed belegde in plaats van redelijk belegde boterham verdiend”, zegt de Brabantse koopmanszoon.

Geld is belangrijk in zijn woonplaats Sint Willebrord, een kleine gemeente in het westen van Brabant, van oudsher een bolwerk van biljarters en wielrenners. Wim van Est, Wout Wagtmans, Rini Wagtmans, Dick Jaspers en Christ van der Smissen komen uit 't Heike. Ze delen de liefde voor de sport met de honger naar een vette bankrekening. Een eigen huis bouwen is minstens zo belangrijk als een belangrijke wedstrijd winnen. Daarom kijkt Van der Smissen met gemengde gevoelens naar zijn overbuurman Jaspers, die van zijn hobby zijn werk heeft kunnen maken.

“Dick kwam net op tijd aan de wereldtop”, zegt Van der Smissen. “Tien jaar geleden was er veel geld te verdienen om de wereldbeker. Veel meer dan nu zelfs. Maar Dick heeft dat geluk ook afgedwongen. Niemand maakt zoveel trainingsuren als hij. Voor hem is biljarten geen slavenarbeid. Niet iedereen kan het opbrengen om zes uur per dag te trainen. De meesten hebben een studie of een baan, logisch, want de pure profs zijn dun gezaaid. Wat dat betreft hadden ze beter kunnen gaan tennissen.”

Van der Smissen is sinds vijf maanden in dienst van de Nederlandse biljartbond. In navolging van landen als Duitsland en Denemarken heeft de KNBB gekozen voor een speciale jeugdopleiding voor driebanders. Het initiatief in mede mogelijk gemaakt door de financiële steun van NOC*NSF. Later deze maand wordt op het bondsbureau in Nieuwegein een talentendag georganiseerd. Vrijwilligers hebben zich aangemeld als scout. Zij trekken als speurneus de provincie in.

Bondscoach Van der Smissen geeft de uitverkoren jongeren gemiddeld een dag per week bijscholing in snijden, rondspelen en overhouden. De jonge driebanders als Peterson, Van Erp en Wilkowski hebben de oude leerschool definitief afgezworen. Ze hadden geen lol in de kleinere spelsoorten en beseffen dat bij driebanden meer geld te verdienen valt. Bovendien heeft het Zweedse fenomeen Torbjörn Blomdahl aangetoond dat een goede driebander geen achtergrond als bandstoter of kaderspeler hoeft te hebben. Inzicht, balgevoel, discipline, concentratie en trainingsfaciliteiten zijn wél noodzakelijk.

Van der Smissen leert zijn pupillen goed te kijken naar de gevestigde orde. De fluwelen techniek van de Belg Raymond Ceulemans en de originele spelpatronen van de Turk Semih Sayginer zijn nuttige voorbeelden. Net als de regelmatigheid van Jaspers en de onregelmatigheid van Blomdahl.

Bondscoach Van der Smissen roemt de leergierigheid van de beginnende twintigers, maar gezien hun gemiddelde niveau (ongeveer 0.8) is hun spel voor verbetering vatbaar. Ceulemans was in de jaren zeventig nog heer en meester met een moyenne van ruim een punt per beurt. Tegenwoordig spelen misschien wel honderd driebanders op een dergelijk niveau. Ceulemans is met de jaren steeds beter gaan spelen. Toch is hij niet langer 's werelds beste driebander.

“Die verbetering heeft niks met het materiaal te maken”, zegt Van der Smissen. “Een blauw laken is niet sneller dan een groen laken. En de ballen rollen net als vroeger. De keu is ook niet langer of gladder geworden. De basis voor een beter gemiddelde is keihard trainen. Hoe meer uren je maakt, hoe sneller je sterk wordt. Verders moet iedereen zoveel mogelijk wedstrijden spelen. Je kunt ook een goed gevoel overhouden aan een nederlaag. In de wedstrijden leer je ook goed met spanning om te gaan.”

Tijdens de voorronden van de wereldbekerwedstrijd in Oosterhout blijkt het spelen onder wedstrijddruk een praktisch probleem voor de theoretisch onderlegde talenten. Het Nederlandse drietal weet zich niet te plaatsen voor het hoofdtoernooi. Volgens Van der Smissen hebben ze nog moeite met ervaren tegenstanders, die het tempo vertragen en geen gemakkelijke ballen weggeven. De bondscoach is coulant. “Vergeet niet dat ze nog vermoeid zijn van het vorige toernooi in Torremolinos. Ze hebben niet rustig kunnen toewerken naar dit toernooi. Alles is nieuw voor deze jongens. Ze eten op andere tijden, ze slapen op andere tijden. Bij biljarten draait alles om ervaring.”