Kapitaal van 'wilt lant'; NATUUR STOND IN DE 17DE EEUW AL IN TEKEN VAN ECONOMIE

Volgens topografisch kaartmateriaal was veel land in de zeventiende eeuw ongerept natuurgebied. Maar in werkelijkheid had alles toen al een economische betekenis.

VOOR VEEL landschapsdeskundigen is topografisch kaartmateriaal lange tijd de belangrijkste bron geweest voor de bestudering van de geschiedenis van het landschap. Maar kaartmateriaal is slechts een momentopname. Het suggereert een statisch gebruik van het land terwijl de werkelijkheid vaak veel dynamischer blijkt te zijn. Dat concludeert dr. Hans Elerie, die vorige week promoveerde aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, in zijn studie 'Weerbarstig Land'. Die studie is gewijd aan de wisselwerking tussen agrarische bedrijfsvormen en hun lokale ecosystemen. Het onderzoek richt zich op twee deelgebieden in Zuidwest-Drenthe, Koekange en het Reestdal, en beslaat de periode 1600 tot 1850.

Uit studie van Elerie komt een veel genuanceerder beeld van de historische ontwikkeling naar voren dan op basis van kaartinterpretaties mogelijk zou zijn. “De Wageningse landbouwhistoricus Jan Bieleman heeft in zijn dissertatie van 1987 baanbrekend werk verricht door de ontwikkeling van de agrarische bedrijfsvorm in Drenthe vast te leggen”, vertelt Elerie in zijn kantoor bij de Vereniging Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe, waar hij als directeur aan verbonden is. “Maar Bieleman baseert zijn onderzoek vooral op seriële bronnen, zoals grondschattingen en imposten. Hij bekijkt de geschiedenis uit een vogelvlucht, ik daal af tot op het niveau van het landschap en de lokale gemeenschap.”Een veel beproefde methode bij de beschrijving van het Nederlandsche landschap is de terugschrijdende methode met behulp van dwarsdoorsneden in de tijd. Daarbij doen de onderzoekers een beroep op de pre-kadastrale grondbelasting en het eerste kadaster van 1832. Een geschiedschrijving op basis van deze reuzesprongen in de tijd geeft echter een veel te ongenuanceerd beeld: “In het kadaster van 1832 werd een onderscheid gemaakt tussen hooi- en weilanden”, schrijft Elerie in zijn fraai geïllustreerd proefschrift. En even verder: “In feite bestond dit onderscheid (...) ook reeds in de grondschatting (van 1654, RK). Alleen de hooilanden langs de Reeds werden toen als een afzonderlijke categorie opgemeten, terwijl de weidegronden zaten 'verscholen' in de categorie 'wilt lant'. Het onderscheid tussen beide gebruikscategorieën was onder de bedrijfsstijl van de 'estivage' eerder vloeiend dan absoluut. Na de eenmalige hooiing in juli vormden beide ecotopen in de bovenloopse Reest in feite een gebruikseenheid met 'overal' beweiding. Daarnaast tekent zich in de tijd een ontwikkeling af waarbij het oorspronkelijke ecotoop door gebruik en ontginning in kwaliteit veranderde.”

Elerie kon dit soort veranderingsprocessen in kaart brengen door bodemkundig en macrobotanisch onderzoek te laten doen op enkele specifieke gebruikspercelen langs de Reest. Daarnaast maakte hij veelvuldig gebruik van incidentele, geschreven bronnen, zoals boerenschrijfboekjes en familiearchieven.

HOUTCULTUREN

Een ander aspect dat Elerie aanroert, is dat 'wilt land' meestal helemaal niet een ongerept natuurgebied was, zoals het kaartmateriaal suggereert, maar dat het een duidelijke economische functie had voor de boeren. Elerie: “Drenthe staat bekend om de natuurlijkheid van het landschap. Maar in feite had elk stuk land economische betekenis. Het is niet toevallig dat houtculturen altijd in de buurt van water liggen, zodat transport van gekapt hout eenvoudig te realiseren viel. Ook uit verslagen van jagers blijkt veelvuldig de belangrijke economische betekenis van bepaalde natuurgebieden. Ook in de zeventiende eeuw was er dus sprake van een puur kapitalistische benadering, boeren procedeerden bijvoorbeeld tegen elkaar wanneer iemand het onderhoud van sloten verwaarloosde.” De einddatum van zijn onderzoek - 1850 - beschouwt Elerie als arbitrair. Vanaf die tijd deden zich snelle kwalitatieve veranderingen voor, niet alleen door de gestaag groeiende bevolking maar ook door het toenemend gebruik van landbouwgereedschap en kunstmest. Maar het vastleggen van de veranderingen in het landschap van de laatste honderd jaar zou volgens hem leiden tot een twee keer zo'n dikke studie. “En het was me vooral te doen om te laten zien dat de methodische benadering van mij voldoet.”

Op de vraag, of zijn onderzoek van waarde is voor een toekomstige landschappelijke indeling, bijvoorbeeld in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur, reageert Elerie aarzelend. “De maatschappelijke betekenis van mijn werk is, dat er meer inzicht ontstaat in ecologische processen op de lange termijn. Je kan dus beter zien wat voor een kansen bepaalde ingrepen in het landschap hebben. Maar wat vooral naar boven komt is dat de mens als fysische factor enorm bepalend is geweest. De idylle dat er een harmonie zou bestaan tussen cultuur en landschap is echt achterhaald. Drenthe is nu net een polder, we kunnen de provincie zo droog maken als we willen. Het zal toch vooral de economie zijn, die bepaalt hoe het landschap eruit gaat zien.”

Wel vindt Elerie zijn gegevens in maatschappelijke zin van belang, omdat ze extra informatie over het Drenthse landschap verschaffen. Het platteland krijgt hier een steeds belangrijker functie voor wonen en toerisme. Juist toeristen zouden geïnteresseerd zijn in de ecologische geschiedenis van het landschap. Op basis van de gegevens uit zijn proefschrift wil Elerie de mogelijkheid bekijken om voor wandelaars een stripverhaal te maken, waarin de geschiedenis aan bod komt. “Steeds meer dorpen proberen toeristen te lokken, onder meer door fraaie wandeltochten uit te zetten. Maar wandelaars hebben weinig tijd om te lezen. Een stripverhaal lijkt me een goede manier om de betrokken informatie inzichtelijk door te geven.”

J.H.N. Elerie: Weerbarstig land. Een historisch-ecologische landschapsstudie van Koekange en de Reest. Geïll, 480 pag. REGIO-PRojekt Uitgevers, Groningen, ƒ 99,95. ISBN 90-5485-922-9.