Indonesië is slecht af met IMF

Na aankondiging van het herstel van de Nederlandse ontwikkelingsrelatie met Indonesië is weinig meer vernomen over de verdere uitwerking van dit voornemen. Bilaterale besprekingen zijn tot dusverre achterwege gebleven. De voorkeur van beide landen lijkt uit te gaan naar hulpverlening langs multilaterale kanalen, met een centrale rol voor Wereldbank en het IMF. De laatste instelling nam ook het initiatief tot reparatie van de betrekkingen, omdat er dringend behoefte bestond aan verruiming van de fondsen waaruit kon worden geput voor de sanering van de gigantische Indonesische schuldenlast. Nederland toont zich een bereidwillige donor en maakt geen aanstalten lastige vragen te stellen over de besteding van het geld en het door het IMF gevoerde beleid. Toch valt onmogelijk vol te houden dat daartoe weinig aanleiding bestaat.

In een krachtige verklaring heeft een onafhankelijk forum van prominente Indonesische economen te kennen gegeven dat het optreden van de overheid de crisis niet meer maar minder beheersbaar heeft gemaakt. De inflatie zal in Indonesië dit jaar op honderd procent uitkomen en er is geen enkele aanwijzing voor zelfs maar het begin van economisch herstel. De nieuwe kredieten die afgelopen maanden aan het land zijn geschonken, zijn - zoals voorheen - voor een deel op particuliere rekeningen bijgeboekt en voor het overige in een bodemloze put verdwenen. In ieder geval hebben zij niet bijgedragen tot leniging van de nog steeds stijgende nood der bevolking. Daarvoor waren zij in feite ook niet bedoeld. Het ging de geldschieters vooral om het veilig stellen van de buitenlandse investeringen en te voorkomen dat deze als niet invorderbare schulden zouden moeten worden afgeboekt. Het ziet ernaar uit dat dit streven op een mislukking is uitgelopen.

Het is jammer dat Nederland de gelegenheid voorbij heeft laten gaan om afstand te nemen tot de regisseurs van het drama dat zich in Indonesië ontvouwt. De praktijken van de machthebbers in het land staan haaks op alles wat onder goed bestuur wordt verstaan, terwijl ook het IMF-recept voor de bevolking een overteerbaar medicijn is gebleken. Volgens niet al te pessismistische berekeningen zal meer dan de helft van alle mensen in dit naar bevolkingsomvang vierde land ter wereld voor het einde van dit jaar door de armoedelijn zijn gezakt. De versnelling in deze neerwaartse spiraal heb ik in micro-bestek, in de dorpen van mijn onderzoek op Java, al kunnen gadeslaan. Natuurlijk mag men het IMF de wandaden en het wanbeleid van het Soeharto-regime, zoals dat tot de dag van vandaag in functie is, niet aanrekenen, maar wel is er alle aanleiding deze Westerse instelling mede aansprakelijk te houden voor de enorme schaalvergroting in de misère die zich in de loop van dit jaar heeft doorgezet. Onze impliciete steun en medewerking aan deze gang van zaken, uitvloeisel van het Nederlandse besluit om zonder voorbehoud en zonder onderzoek van andere opties, weer toe te treden tot de kring van donoren, is betreurenswaardig.

Waaruit blijkt die medebetrokkenheid bij het proces van verarming dat de bevolking ondergaat? In wat als het begin van het saneringsprogramma werd aangekondigd, gebood het IMF begin 1998 de Indonesische overheid om de subsidies op de eerste levensbehoeften af te schaffen. In overeenstemming met het credo van de terugtredende staat moest het vrije spel der marktkrachten voortaan ruim baan krijgen. Waar dit IMF-dictaat aan voorbijging was echter dat de subsidie op rijst het enige excuus vormde om de arbeidslonen op een onvoorstelbaar laag niveau te handhaven. Afschaffing van deze toeslag zou dit basisvoedsel in feite voor een grote massa aan de voet van de samenleving onbetaalbaar maken. En zo is het inderdaad gegaan, met als gevolg dat de rijstprijs is gestegen tot een niveau dat tien keer boven het bedrag ligt van nog geen jaar geleden.

Na de eerste golf van voedselrellen groeide het studentenprotest. De geest van verzet die ontstond ontlaadde zich in confrontaties met het Nieuwe Orde-bewind, maar daarachter klonk wel degelijk ook heftige kritiek tegen het IMF als behartiger van buitenlandse belangen. Die oppositie, gebaseerd op het angstige vermoeden dat voortgaande insluiting in de wereldeconomie gelijke tred houdt met het uitsluiten van een groeiend deel van de bevolking van een menswaardig bestaan, is in de Westerse berichtgeving betrekkelijk onderbelicht gebleven.

Maar was die kritiek wel terecht? Niet volgens degenen die volhouden dat het IMF slechts een economische en geen sociale opdracht heeft. Nauwelijks een week geleden heeft minister van Financiën Zalm zich geweldig boos gemaakt over zijn Europese collega's van Buitenlandse Zaken, die hun misprijzen hadden uitgesproken over de weigering van het IMF te helpen bij het aanbrengen van een sociaal vangnet in de landen die door de monetaire crisis zijn getroffen. Met zijn dédain dat de echte technocraat kenmerkt liet Zalm weten dat het IMF geen rekening kan en mag houden met de sociale gevolgen van het gevoerde economische beleid. Maar wie draagt dan wel de verantwoording voor de maatschappelijke instabiliteit die, zoals in het geval van Indonesië, door de IMF-interventie is verergerd? Waar het in feite op neerkomt is dat deze instelling, mede uitgerust met kredieten geput uit het Nederlandse budget voor ontwikkelingssamenwerking, in staat gesteld wordt te opereren op een manier die niet bijdraagt aan lotsverbetering van de Indonesische bevolking. Kritiek op deze gang van zaken wordt door minister Zalm als ongepast van de hand gewezen met als argument dat de aanpassingsleningen nu eenmaal niet bedoeld zijn om sociale misère te voorkomen of daarin verlichting te brengen. Dit betekent dat de overdracht van financiële middelen op een weinig transparante wijze gepaard is gegaan met een verschuiving in doelstellingen. De primaire opgave voor de hulpverlening lijkt uit het zicht te zijn verdwenen. Hoe luidde die ook weer? Voor de landen in de ASEAN-regio geeft de nieuwe begroting van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamerwerking de volgende concrete uitwerking: “Het zwaartepunt van het samenwerkingsprogramma wordt gevormd door armoedebestrijding, sociale ontwikkeling en milieubescherming.” In het geval van Indonesië, zo moeten we vaststellen, is het tot nog toe bij deze woorden gebleven.