IMMIGRATIEGOLVEN (2)

In het artikel 'Oudste Amerikaan, geen indiaan' (W&O, 12 september), wordt vermeld dat de bekende Braziliaanse fysisch antropoloog Walter Neves bewijzen zou hebben gevonden voor de stelling dat schedels van de eerste Amerikanen geen Mongoloïde kenmerken vertoonden en dat derhalve de voorouders van de huidige Indianen eerst in een latere migratiegolf uit Azië naar Amerika zouden zijn gemigreerd.

Het kan zijn dat Neves gelijk heeft, maar het bewijs hiervoor moet nog worden geleverd. Er is een andere, meer voor de hand liggende verklaring voor het ontbreken van Mongoloïde kenmerken bij de eerste Amerikanen. En deze is dat Mongoloïde, net als Negroïde en Caucasoïde kenmerken zich pas duidelijk maifesteren bij latere Neolitische - mogelijk ook bij enkele Mesolithische - populaties. Schedels uit eerdere perioden zoals Luzia, de naar schatting 11.500 jaar oude schedel die Neves onderzocht, blijken bij statistische bewerking alle, of vrijwel alle, buiten de variatiebreedte van schedels van de huidige wereldbevolking te vallen. Opmerkelijk is dat wereldwijd schedels uit die oudere periode bij een vergelijking met schedels van recente populaties evenals Luzia nog het meest lijken op die van perifere populaties, zoals de door Neves genoemde Australiërs en bewoners van eilanden in de Stille Zuidzee. Dat houdt niet noodzakelijkerwijs in dat er ook sprake is van een relatief grote genetische affiniteit. Eerder dat er sprake moet zijn geweest van onafhankelijke ontwikkelingen die werden veroorzaakt door gemeenschappelijke selectieprocessen. Deze opvatting wordt gesteund door recent moleculair-biologisch onderzoek. Een team van vooral Engelse onderzoekers concludeerde twee jaar geleden op grond van genetisch onderzoek dat de recente Europeanen overwegend afstammen van de eerste 'anatomisch moderne', jong Palaeolithische bewoners van Europa. Statistisch onderzoek maakt daarentegen duidelijk dat ook voor de eerste anatomisch moderne Europeanen geldt dat hun schedels in meerderheid een grotere gelijkenis vertonen met schedels van perifere populaties, zoals de bovengenoemde, dan die van recente Europeanen. Dit spoort met de waarneming van Neves met betrekking tot Luzia, evenwel niet met de interpretatie die hij hieraan verbindt.