Ideologie

ENIGE TIJD geleden werd ik geïnterviewd door de VPRO-radio. Het gesprek zou gaan over het studiehuis, maar zover kwamen wij niet. Op weg daarheen struikelden we, de interviewster Aukje Holtrop en ik, over vele andere zaken waarover we van mening verschilden. Zaken die meer aandacht verdienen dan een kortstondige verbale worsteling, omdat het daarbij gaat om iets heel wezenlijks, namelijk om de vraag hoe te verklaren de wijde kloof die er gaapt tussen enerzijds de inrichting van ons onderwijs en anderzijds de vragen waar dat onderwijs antwoord op moet geven.

Ik ben van mening dat die kloof alles te maken heeft met de taboes en ideologische stellingnamen die de onderwijspolitieke discussie decennia lang hebben beheerst. Deze hebben een rationele aanpak van onderwijsvraagstukken in de weg gestaan. Ik denk niet dat het goed is dat niet onder ogen te zien en het gewoon te vinden dat ideologische stellingnamen als een uit de mode geraakt hemd worden ingeruild voor een trendy nieuw exemplaar. Dat lijkt me niet goed zowel uit onderwijspolitieke overwegingen als uit het oogpunt van geestelijke hygiëne. Het feit dat het toch allemaal zo goed bedoeld was, zoals onlangs iemand mij schreef, is geen reden er verder het zwijgen toe te doen. Of je nu het slachtoffer bent van een gewone of van een goed bedoelde dwaasheid zal de Nederlandse jeugd en haar leraren naar ik aanneem onverschillig zijn. Vandaar mijn voornemen de komende tijd, afhankelijk van de vraag of de actualiteit dit toelaat, zo nu en dan op verschillende van die ideologische verblindingen nader in te gaan.

Eerste onderwerp uit die reeks: de ideologie van de middenschool die vanaf begin jaren '70 in progressieve kringen als algemeen werd onderschreven. Die progressieve kringen konden hun stempel drukken op het onderwijs, omdat in conservatieve kringen daar überhaupt nauwelijks aandacht voor was. Dit betekende dat ook de medewerkers van de instellingen om het onderwijs heen zoals pedagogische centra, beleidsafdelingen onderwijs van gemeenten, lerarenopleidingen, onderzoeksinstellingen, schooladviesdiensten etc. in de regel progressief en daarmee veelal voorstander waren van de middenschool. Dit in tegenstelling tot de mensen die het eigenlijke onderwijswerk uitvoerden, de leraren dus. Die moesten er meestal niets van hebben. Dat had niets met ideologie te maken, zoals we straks zullen zien. De middenschool is zo'n twintig jaar lang als een donkere wolk boven het onderwijs blijven hangen. Waarom nu werd die middenschoolideologie door het onderwijs ervaren als een donkere wolk, als bedreigend dus?

Leraren ontlenen hun beroepsidentiteit in de regel aan het vak dat zij doceren. Interesse voor dat vak is meestentijds ook de reden geweest om ooit leraar te worden. Het gedachtengoed van middenschool, van algemene vaardigheden, van lang hetzelfde voor iedereen, stond dus haaks op de beleving van het onderwijs en de vakken door de leraren zelf. De bemoeienissen van instanties met het onderwijs bedreigden de leraren dus in datgene waar de meesten onder hen hun beroepsidentiteit aan ontlenen: hun vak. In één bepaalde sector van het onderwijs is dit zelfs fataal geweest, wat overigens haast niemand weet, omdat het hierbij gaat om een sector die maar weinigen kennen. Ik heb het over de ambachtsschool. De praktijkdocenten daar zijn vanaf de Mammoetwet, bij elk nieuw etiket dat hun scholen kregen opgeplakt, steeds verder gemarginaliseerd tot wat ze nu uiteindelijk zijn geworden: leraar voorbereidend algemeen knutselen.

De ideologie van de middenschool, de strijd tussen voor- en tegenstanders, heeft de discussie over de inrichting van het onderwijs zo'n twintig jaar lang verlamd. Uiteindelijk is de wapenstilstand getekend in de vorm van de Basisvorming die erop neerkomt dat leraren gedwongen worden mee te werken aan meer algemeen onderwijs in de eerste leerjaren dat niet aansluit bij het onderwijs in de leerjaren die volgen. Vandaar dan ook dat veel scholen ervoor hebben gekozen dit Fremdkörper louter lippendienst te bewijzen.

Het gevolg van de hier geschetste historie is geweest dat de mensen in de school alle bemoeienis als bedreigend zijn gaan ervaren, zich zijn gaan afzetten tegen veranderingen, terwijl maatschappelijke ontwikkelingen daar nu meer dan ooit om vragen. Maar nog erger is dat, als gevolg van ideologische fixatie, al die jaren lang onderwijspolitiek en -beleid geen oog hebben gehad voor ontwikkelingen onder de jeugd die vroegen om een onderwijsontwikkeling die juist tegengesteld was aan de middenschoolideologie.

Op steeds lagere leeftijd mogen jongeren stemmen, seksuele relaties aangaan, meepraten bij echtscheiding, over eigen geld beschikken, thuis min of meer zelfstandig wonen, etc. Ook zien we steeds verdere diversificatie van jeugdculturen, maar waar het de school betreft hebben we die tendens van toenemende zelfstandigheid en toenemende behoefte aan diversiteit genegeerd en zijn iedereen gaan verplichten steeds langduriger deel te nemen aan steeds eenvormiger onderwijs.