Halfslachtelijke wezens; Honderd jaar meisjesstudenten

In de jaren zestig sloot je je aan bij Magna Pete, anders hoorde je er niet bij. De meisjes van Nederlands oudste studentenvereniging, in Groningen, dronken thee en hielden zich verre van politiek. Hoe vrouwen in 100 jaar opklom- men van 'tussending' tot studenten met de beste studieprestaties.

Deze zomer verzamelden zich meer dan negenhonderd vrouwen in Cambridge, allen ouder dan 70 jaar, allen afgestudeerd vóór 1948. Zij waren naar hun studentenstad teruggekomen om alsnog hun bul uitgereikt te krijgen. Cambridge University maakte daarmee een praktijk goed die tot eind jaren veertig heeft geduurd: vrouwen, hoe briljant ook afgestudeerd, werd tot 1948 het bewijs van hun bekwaamheid onthouden. Anders dan voor mannen was er voor hen geen formele afstudeerceremonie en ze mochten de titel 'BA' niet achter hun naam zetten. De universiteit was bang dat vrouwen de banen zouden opeisen die in hun ogen voor mannen waren bestemd.

Eind oktober ontvangt de universiteitsstad Groningen een soortgelijk aantal vrouwen, wel en niet afgestudeerd, MO'ers en academici, die feestelijk de oprichting van Nederlands eerste vrouwelijke studentenclub herdenken. Het ontstaan van Magna Pete (Streef naar Grote Dingen) in 1898, is een van de emancipatoire primeurs die Groningen op zijn conto kan schrijven.

Eind jaren zestig was ik zelf overtuigd lid van Magna Pete. Wij, in onze snobistische beperktheid, konden maar niet begrijpen waarom medestudenten niet als vanzelfsprekend kozen voor een corps- of Magna Pete-lidmaatschap. Onze hoogleraren sterkten ons in die verbazing met een toespraakje aan het begin van het eerste jaar waarin ze het belang van lid-zijn nog eens onderstreepten, wilden we in het verre Groningen niet eenzaam worden of de kans mislopen op 'vrienden voor het leven'.

Hoe de oudste meisjesstudentenvereniging ontstond en waarom dat juist in Groningen gebeurde, is inmiddels onderzocht door drie (vrouwelijke) wetenschappers. De historicus Jacqueline Kampman schreef De Geschiedenis van Magna Pete, die op 31 oktober verschijnt. Eerder dit jaar promoveerde Inge de Wilde, een romaniste die werkzaam is op de beleidsafdeling van de universiteit, op Nieuwe deelgenoten in de wetenschap.

En sinds 1994 ligt er het uitgebreide promotie-onderzoek van Mineke Bosch, inmiddels universitair hoofddocent aan het Centrum voor Gender en Vrouwenstudies aan de universiteit van Maastricht, naar de relatie tussen vrouwen en hoger onderwijs (1878-1948), getiteld Het Geslacht van de Wetenschap.

Kampman en Bosch studeerden in de jaren zeventig in Groningen en zien zichzelf als product van de tweede feministische golf. Mineke Bosch schildert de relatie tussen vrouw en wetenschap dan ook anders dan de vrouwen die zij bestudeerde. Die hanteerden graag de triomfantelijke beeldspraak van pioniers in een onontgonnen gebied. Vrouwen in de wetenschap waren tweederangsburgers, migranten in een land dat al eeuwen door mannen werd bewoond en waarin zij voortdurend moesten onderhandelen over macht.

Inge de Wilde studeerde in de jaren zestig, in Amsterdam. Zij is minder geneigd de afwezigheid van vrouwelijke wetenschappers in de hoogste regionen van universiteit en beroepsuitoefening uitsluitend aan mannelijke overmacht toe te schrijven. Zij heeft, als product van de jaren zestig, niet erg het gevoel gehad dat haar op de universiteit iets werd onthouden omdat zij vrouw is.

Mevrouw J.S. de Graaf-Baronesse Bentinck is tot nu toe de oudste reüniste die zich voor het eeuwfeest van Magna Pete heeft aangemeld. Zij kwam in 1925 aan, als farmaciestudente en ze werd 'als vanzelfsprekend' lid van Magna Pete, dat toen ten minste 140 leden telde. “Ik wilde geen les geven, dus het studeren van een taal was uitgesloten. Dan maar medicijnen, zei ik tegen mijn vader. Maar dat mocht niet van hem. Ik hoor hem nog zeggen: 'Vrouwelijke geneeskundigen zijn halfslachtelijke wezens.' Toen ben ik maar farmacie gaan doen. Ik heb anderhalf jaar een apotheek gehad, maar dat vond ik net de baas zijn van een winkelbedrijf. Ik ben ermee opgehouden, getrouwd, heb kinderen gekregen en ik heb nooit meer iets aan mijn vak gedaan. Nooit de neiging gehad ook. Spijt omdat het anders had kunnen lopen? Nee, ik heb een mooi leven gehad.” Het is de teneur van de uitlatingen van haar generatiegenoten uit Cambridge. Een van hen zei deze zomer: “We waren al zo ontzettend blij dat we mochten studeren, dat we ons helemaal niet afvroegen of we misschien achtergesteld werden bij de mannen. We hebben fantastische jaren gehad en we waren ons ervan bewust dat het een voorrecht was.”

Thorbecke

Waarom uitgerekend in het verre Groningen vrouwen als eerste de kans kregen uit de traditionele cocon te breken die haar voorbestemde voor de rol van huisvrouw en moeder, kan worden verklaard uit de liberale - in de zin van vrijheidslievende - houding die destijds de intelligentsia in het Noorden huldigden. Ieder schoolkind weet: 1871, Aletta Jacobs, eerste vrouwelijke studente in Nederland. Sappemeer kan bepaald geen metropool geweest zijn in die tijd, maar dorpsdokter Jacobs had knappe kinderen èn ambities. In het jaar dat Aletta in Groningen werd toegelaten om medicijnen te gaan studeren, behoorde haar jongere zusje Frederika tot de eerste meisjesleerlingen op een HBS en zes jaar later volgde Charlotte Jacobs in het voetspoor van Aletta.

Groningen benoemde in 1907 als eerste universiteit een vrouwelijke lector (in Nieuw Franse Taal- en Letterkunde), Marie Loke, en in 1911 al kreeg de biologe Jantina Tammes een eredoctoraat. Zij werd voorgedragen voor een benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de erfelijkheidsleer. Alleen omdat onverlichte geesten in Den Haag acht jaar lang bleven dwarsliggen, ging de universiteit van Utrecht in 1917 uiteindelijk met de eer van de benoeming van Nederlands eerste vrouwelijke hoogleraar strijken. Dat werd de biologe dr. Johanna Westerdijk, die hoogleraar werd, maar wel - net als later professor Tammes - 'buitengewoon' hoogleraar. De dames waren de voorlopers van een trend bij vrouwelijke wetenschappers die in zekere mate nog steeds voortduurt: die van de eeuwige lector en altijd weer de 'buitengewoon' hoogleraar.

Invloedrijke academici in Groningen gaven zich in de jaren zestig van de negentiende eeuw al meer of minder gewonnen voor de overtuiging dat vrouwen niet minder 'bruikbaar' werden door een (universitaire) opleiding en beleden dat ook openlijk. Daarmee mengden ze zich in het debat over vrouwenemancipatie op een moment dat de heren academici aan andere universiteiten daar over zwegen. Toen Aletta Jacobs dan ook, met de zegen van Thorbecke zelf, om toegang tot de universiteit van Groningen verzocht, waren de geesten daar, meer dan elders, rijp voor het idee van een 'gestudeerde' vrouw. De toenmalige rector-magnificus begroette haar in een toespraak enthousiast als eerste vertegenwoordigster van haar soort, in zijn woorden: “nieuwe deelgenoten in de wetenschap”.

Zo'n vaart zou het niet lopen. Inge de Wilde telt van 1871 tot 1914 - de periode van de eerste feministische golf, uitmondend in de verlening van het vrouwenkiesrecht in 1919 - een totaal van 558 vrouwelijke studenten en wetenschappelijk medewerksters in Groningen. De relatieve vrouwvriendelijkheid van Groningen had alles te maken met het feit dat de universiteit als enige in Nederland in 1878 al niet-doctoraalstudenten in de moderne talen binnenhaalde. Dat was een bewust gecreëerde trekpleister voor meisjes met eindexamen middelbare meisjesschool, die drie jaar college volgden en dan een MO-akte haalden waarmee ze voor de klas konden staan.

Meisjes met gymnasium, de toekomstige academici, kozen voor vakken die als meest in overeenstemming met hun vrouwelijke aard geacht werden: medicijnen ('een verzorgend beroep'), biologie en farmacie. Juist die academicae kozen ervoor hun wandelclubje met de naar zompige klei riekende naam 'Pluvia' in 1898 om te zetten in een debating-club. Pogingen om te mogen toetreden tot het Groninger studentencorps 'Vindicat atque Polit' (Handhaaft en beschaaft) waren stukgelopen op dezelfde argumenten die een kleine honderd jaar later door een minderheid van Vindicat-leden weer zouden worden aangevoerd in de aanloop naar de fusie tussen mannelijk- en vrouwelijk studentencorps: bederf van de unieke sfeer, de onmogelijkheid 'lichte kost' op de leestafel te laten liggen en de bedreigde eigenheid van het mannelijk vermaak-onder-ons.

De meisjes-debating-club was het begin van wat later Magna Pete zou gaan heten. De dames hielden de contributie laag en dat zou zo blijven tot de fusie van beide verenigingen in 1970. De damesstudente werd de laatste vijftig jaar weliswaar niet langer openlijk gedefinieerd als een 'amphibisch wezen, een tussending, het derde geslacht', maar kennelijk werd tot in de jaren zestig verondersteld dat het studeren van een meisje toch minder zou moeten kosten dan dat van een jongen. Jacqueline Kampman, die op verzoek van de Stichting Reünisten de geschiedenis van Magna Pete heeft geschreven, was zelf in haar studententijd geen lid van een gezelligheidsvereniging. Zij dateert van de generatie voor wie het niet langer nodig was lid van Magna Pete te worden om er in haar studiejaren 'bij te horen'. Ondanks haar 'nihilisme' - zo noemden wij studenten zonder aansluiting - heeft Jacqueline Kampman aan de beschrijving van de clubgeschiedenis 'een gevoel van een zekere vertedering' overgehouden. Het is achteraf gemakkelijk identificeren met die allervroegste Magna-Pete-leden, die gezelschap en gezelligheid bij elkaar zochten en die er vooral op uit waren elkaar te steunen als vrouw-die-studeerde.

Dat gevoel van verdediging van een gemeenschappelijk belang verdwijnt geleidelijk en maakt, vanaf de jaren twintig en de toename van het aantal vrouwelijke studenten, plaats voor 'de gezelligheid'. De 'theejool' (gezellig samen theedrinken met alle jaren), de 'liederentafel' (het gezamenlijk zingen van studenten- en jaarliederen) en de 'aanligmaaltijd' (het op de grond liggend eten van een maaltijd die het einde van het noviciaat betekende) - de reünisten van eind deze maand zullen zich er met weemoed aan overgeven. Het is het vertoeven in de illusie van het niemandsland: bijna volwassen, maar niet echt. De herinnering aan het nog even kunnen uitstellen van de grote-mensenwereld, en tegelijk groot mens spelen in de veilige omgeving van de studentengezelligheidsvereniging.

Wie de geschiedenis van Magna Pete leest, vindt achteraf verbijsterend weinig terug over de grote gebeurtenissen van de eeuw: twee wereldoorlogen lijken bijvoorbeeld nauwelijks te hebben bestaan. De 'geweldige afbraak en de wanhopige pogingen tot wederopbouw in de wereld rondom' worden door een der leden in het jaarverslag van 1919 wel gemeld. “Maar of de leden daar persoonlijk over denken - op de Club komt er in ieder geval niets van tot uiting.”

Ook de vrouwenbeweging heeft zich bij tijd en wijle zichtbaar geërgerd aan de manier waarop het bevoorrechte vrouwdom zich afwendde van alles wat er in de buitenwereld gebeurde in de strijd om emancipatie. “Ik heb mijn bestuursperiode met plezier gedaan”, zegt Heleen van Os-Roscam Abbing, praeses in het jaar 1962-1963 en degene die in de Martinikerk de herdenkingsrede zal houden. “Maar als ik er naar terugkijk, was het ook een beetje eng allemaal. Zo geïsoleerd! Ik heb een heel rooie vader gehad en ik wist heus wel dat er in de wereld meer te koop was dan alleen het studentenbelang. Maar voelden we onszelf ook niet een beetje te deftig om ons daarmee bezig te houden? Toen mijn jaar was afgelopen heb ik me ook nooit meer met de club bemoeid, ik ben afgestudeerd en ik heb me meteen aangemeld bij Man Vrouw Maatschappij.”

Wat mijzelf betreft: ik herinner me een politieke discussie met bestuursgenoten (1966-1967) onder-ons die ontaardde in ongenoegen 'omdat je niet over politieke voorkeuren praat' - zelfs niet onder vriendinnen. En Jacques Wallage, net begonnen als burgemeester van Groningen, toen de politiek bevlogen praeses van de Groninger Studenten Raad (uitvloeisel van de Studenten Vakbond) herinner ik me vooral als iemand die met een scheur in zijn broek en een trui aan bij ons op bezoek kwam, terwijl Wallage zich die bijeenkomst met vijf dames-in-jurk vooral herinnert omdat hij ons het recht kwam ontzeggen namens de studentengemeenschap met de universiteit te spreken.

Wallage, vorige week: “Toen ik op grond van verkiezingen waaraan 38 procent van de Groninger studenten had deelgenomen een gesprek met de rector-magnificus aanvroeg, zei die: 'Dat hoeft niet, want ik heb net vorige week nog met de rector van Vindicat gesproken.' Een trui heb ik gedragen tot en met 1972, toen ik als wethouder in Groningen een wijkbezoek ging doen en een partijlid tegen me zei: 'U moet een pak aantrekken. Ons soort mensen houdt niet zo van truien'. Sindsdien is het pak nooit meer uitgeweest.”

Wij in ons bestuur, met onze aandacht voor de juiste roklengte van het uniform, voorgeschreven net bestuursjurkje ('boven de knie kan echt niet voor het bestuur!') en onze naar binnen gerichte blik op het club-belang, zagen kennelijk niet duidelijk hoezeer een club als Magna Pete als vangnet voor alle vrouwelijke studenten zijn tijd had gehad en zijn potsierlijke machtspositie ten onrechte bleef innemen. Drie jaar later fuseerden Vindicat en Magna Pete, was de Wet Universitaire Bestuurshervorming afgedwongen en mochten Wallages opvolgers bij de opening van het Academisch Jaar in de aula op de stoelen zitten die ten minste een eeuw door Vindicat en Magna Pete bezet waren gehouden. Nu klaagt het bureau van de rector-magnificus dat de besturen vaak niet eens meer reageren op uitnodigingen voor oraties en afscheidscolleges.

Barrières

In de analyse van Mineke Bosch hebben vrouwelijke studentenverenigingen de politieke neutraliteit altijd als bewuste strategie gehanteerd om vrouwen zo in hun onschuldigste gedaante de kans te geven hun deel in het mannelijk bastion te annexeren. Dat is - schijnbaar - gelukt. Het volgen van hoger onderwijs door vrouwen wordt 'normaal' gevonden of zelfs toegejuicht, maar: “totdat een bepaald percentage is bereikt. Dan wordt het bedreigend en dan worden er met alle mogelijke middelen barrières opgeworpen”. Bosch is matig optimistisch over de wettelijke maatregelen die moeten stimuleren dat meer vrouwen de wetenschappelijke top bereiken, zoals de een jaar oude Wet Evenredige Vertegenwoordiging van Vrouwen in leidinggevende functies in het Onderwijs. “Zolang de minister daar geen geld bij zet, blijft het een loze letter.” Hoe het mogelijk is dat meisjesstudenten in een aantal studierichtingen al jaren in de meerderheid zijn, dat ze bewezen slimmer en sneller met hun studie-opdrachten om te gaan dan veel jongensstudenten en dat er desondanks onder de hoogleraren en universitaire hoofddocenten in Nederland respectievelijk maar 4,6 en 7,2 procent vrouw is (1996) toont volgens haar aan dat er iets wezenlijk mis is met de gelijkstelling van de vrouwelijke academicus. “De kwestie is complexer dan dat vrouwen nu eenmaal kinderen krijgen.”

Mineke Bosch: Het Geslacht van de Wetenschap, Vrouwen en hoger onderwijs in Nederland 1878-1948, SUA, Amsterdam 1994. Jacqueline Kampman: Door Studieband Vereend, De Geschiedenis van de G.V.S.C Magna Pete, Profiel, Bedum 1998. Inge de Wilde: Nieuwe deelgenoten in de wetenschap, Vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit Groningen 1871-1919, Van Gorcum, Assen 1998.