Fietsen op Kleine Kei (2)

Einde bebouwing. Zo ver het oog reikt een wildernis van laag groeiende planten en struiken. De weg wordt er niet beter op, overal kuilen en gaten, die ik zo goed en zo kwaad als het gaat probeer te omzeilen. Geen levend wezen te zien, alleen af en toe een paar overstekende hagedissen. Kilometers fietsen zonder iets wat ook maar op een dorpje lijkt. Heuvel op, heuvel af. De 'air botol' klotst in mijn rugzakje, een geruststellend geluid.

Kleine akkertjes tussen de wildgroei, hier en daar omgeven door een bamboehekje. Op het eiland Kei wordt gewerkt volgens het 'slash and burn' principe, waarbij de begroeiing op een stuk land in brand wordt gestoken, zodat er een min of meer vruchtbare bovenlaag ontstaat waarop geplant en gezaaid wordt. Na de oogst laat men de akker weer verwilderen en wordt een nieuw stuk land 'ontgonnen'. Een vorm van roofbouw, want door de verbranding wordt de humuslaag aangetast, maar kunstmest is te duur en dan blijft er niet veel anders over.

De weg gaat steil omhoog, ik stap af. Een echtpaar komt terug van het land, de man met een patjul (een soort hak, schop) op de schouder, de vrouw met een waterkruik. Ik loop een eindje mee: 'Dari mana?' (Waarvandaan?)

'Dari kebun.' luidt het antwoord (Van het land). De man heeft duidelijk zin in een praatje: “De grond hier is niet vruchtbaar, het hele eiland bestaat uit koraal, er wil nauwelijks iets groeien. Alleen singkong, ubi, patates (een soort zoete aardappelen).” Hij lacht: “Het is hard werken, setengah mati (half dood ).”

“En de kinderen? Helpen die niet mee?” Verontwaardigd kijken ze me aan. “De kinderen? Mee naar het land?” zegt de man. “Nee, nee, die moeten naar school, cari ilmu (wetenschap zoeken), dan hoef je later niet zo hard te werken.”

“Mau ke mana?” Met een onderzoekende blik neemt de vrouw me op. “Alleen? Niet met de auto? Waarom op de fiets?”

Wat moet ik daar zo gauw op antwoorden? Waarom doe ik dit eigenlijk? De man lacht breeduit: “Mau bebas saja.” Precies, dat is het: ik wil gewoon vrij zijn.

Eindelijk een dorpje, niet meer dan een paar huizen. Op het erf metershoge krotons, uitbundig bloeiende oleanders, bunga kertas (bougainville) en bunga sepatu (hibiscus), 'schoenenplant' waarvan de blaadjes gebruikt worden om de schoenen te laten glimmen.

Zodra de bewoners me zien, gaat er een gejuich op en iedereen haast zich naar de kant van de weg, alsof men al op de hoogte was van mijn komst. Vrolijk wordt er gezwaaid en geroepen, kinderen rennen een eindje mee en proberen mijn hand aan te raken. “I love you. Good morning.” Een paar kleintjes staan hand in hand te dansen en te springen en rollen van puur enthousiasme bijna ondersteboven.

Zoveel support, dat stimuleert, vol goede moed ga ik verder. Een smal weggetje langs de kust, een prachtig uitzicht over de baai. Kleine eilandjes in de verte. Overal zeilbootjes. Debut, een dorp aan het water. Huizen, een school, een kerk in aanbouw en een warung. Volop bedrijvigheid aan de waterkant: vrouwen doen de was, mannen staan te vissen, blote kindertjes springen in het water.

Een groep opgeschoten jongelui verdringt zich om me heen: “May I introduce myself? Do you speak English? Where are you from?” Dit is de eerste les uit het Engelse leerboek, vol overgave vuren ze de vragen op me af. Iemand trekt aan mijn bloes, een klein meisje met onwaarschijnlijk grote, donkere ogen kijkt me aan. “In the name of the Father and the Son and the Holy Spirit”, zingt ze met een helder stemmetje. Verrast houden de groten hun mond, daar hebben ze niet van terug.