Een luisterend oor

In de supermarkt stond een fraaie bergstok tegen de vrieskist geleund. Zo te zien was hij in de steek gelaten. Hij stond er moederziel alleen ter hoogte van de aardappelschijfjes. Ik zag het ding terug toen ik mijn boodschappen inpakte. Hij hoorde bij een kleine Indische meneer met een brede glimlach.

Boven op de stok zat een koperen uiltje, daaronder herkende ik twee roestvrij stalen pijpklemmen, verder veel doppen en onleesbaar houtsnijwerk.

Ik zei: dat is een mooie stok.

Hij zei: “Meneer, die stok dat is mijn leven.”

Dus bekeek ik die stok om te ontdekken hoe zijn leven en die stok samenhingen.

“Meneer, zei hij, als u eens wist hoeveel ik heb meegemaakt.”

“Ik heb ook het een en ander meegemaakt”, zei ik.

“Meneer, ze hebben me kapot gemaakt, ik ben gek geworden, bij het Riagg heb ik gelopen meneer, ik wou werken maar mocht niet, ik ben mijn vrouw en kinderen kwijt, maar nu gaat het weer goed met me, na mijn bekering.”

Ik luisterde.

“Meneer ik werkte bij de PTT, en toen moesten we naar Groningen, en ik zei: Ik ga naar Groningen. Maar mijn baas zei: 'Nee Frans, jij gaat niet naar Groningen. De slechte chauffeurs sturen we naar Groningen maar de goede houden we hier.' Ik was chauffeur, begrijpt u.”

“Ik wilde graag naar Groningen meneer, want je kreeg ƒ 11.000 verhuispremie en een mooi huis, genoeg ruimte voor de kinderen. Ik wilde graag maar ik mocht niet. En wat gebeurt? Een paar maanden later word ik aan de kant gezet! Ik moet in de WAO, zeggen ze. Frans, je hebt een versleten rug. Ik zeg nog, ik heb nergens last van, maar ze blijven volhouden. Frans, zeggen ze, wees nou verstandig, neem die WAO! Ik was 41 meneer. Ik wilde niet. Maar zij zeiden: neem die WAO, straks heb je helemaal niks meer.”

“Er waren vissers meneer die bode waren geworden, zij gingen dood, toen ze eruit moesten, zo greep het hen aan.”

Hij vertelde dat hij naar Indonesië ging remigreren. “Volgend jaar meneer, ga ik. Ik ga een project voor weeskinderen doen in Indonesië, ik ben ze allemaal afgeweest voor geld meneer, de banken en de scholen, en ze zeiden: Frans als jij het van de grond tilt, zorgen wij voor geld. En nou ga ik.”

“Meneer, mag ik u bedanken voor een luisterend oor?”

Ik knikte. Hij aarzelde nog.

“Meneer, weet u wat ik doe? Ik woon hier tegenover in een prachtige flat, en als ik over straat loop en ik zie iemand die voorovergebogen loopt en zo naar de grond kijkt, dan denk ik: daar gaat er weer eentje, die eruit is gegooid. Die stoot ik aan en dan zeg ik: meneer, mag ik vragen, heeft u een probleem? Soms beginnen zij te praten. Ik heb daar vrienden aan over gehouden. Goede vrienden. En soms worden zij kwaad. Nou denk ik dan, pech gehad. volgende keer beter.”

“Meneer, mag ik u bedanken voor een luisterend oor?”

Hij pakte zijn pakje aardappelschijfjes en een kartonnetje melk en zijn stok.

Ik had langer nodig. Bij elkaar twintig kilo boodschappen moest ik in die gigantische tas zien te wurmen. Frans was al weg.